• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

LAAT JE NIET IN DE WAR BRENGEN!
Toespraak tot de jongeren van Duitsland (19 november 1980)

Dierbare broeders en zusters, dierbare jeugd!

Wanneer Christus over het Rijk van God spreekt, gebruikt Hij dikwijls beelden en gelijkenissen. Zijn beeld van de ,oogst’, van ,de oogst die groot is’, moet Zijn toehoorders destijds hebben herinnerd aan die jaarlijks terugkerende en zozeer verlangde tijd dat men zich kon opmaken om eindelijk de vruchten der aarde te oogsten die met de hulp van veel en zware menselijke arbeid en inspanning gerijpt waren.

Het woord over ,de oogst’ doet ook vandaag nog onze gedachten in diezelfde richting gaan, hoewel wij als mensen uit landen met zo’n hoge graad van industrialisering nauwelijks nog een juiste voorstelling ervan hebben wat het rijpen en oogsten van de vruchten der aarde betekent voor de boer en voor de mensen in het algemeen.

Met het beeld van het gewas dat opgroeit voor de oogst bedoelt Christus het innerlijke groeien en rijpen van de mens. De mens is gebonden aan zijn natuur en daarvan afhankelijk. Tegelijk overstijgt hij haar door heel de innerlijke geaardheid van zijn wezen als persoon. De menselijke rijping is dan ook iets anders dan het rijpen dat we in de natuur tegenkomen. Bij hen gaat het niet alleen om lichamelijke en geestelijke inspanningen. Tot de rijping van de mens hoort wezenlijk de geestelijke, religieuze dimensie van zijn wezen. Wanneer Christus over de ,oogst’ spreekt, bedoelt Hij dat de mens naar God toe moet rijpen en dan in God zelf, in Zijn Rijk, de vrucht ontvangt van zijn worsteling en rijping. Op deze waarheid van het evangelie wil ik jullie, jonge mensen van vandaag, in alle ernst en tegelijk met blijde hoop attent maken. Jullie bevinden je in een heel belangrijke, kritieke tijd van jullie leven waarin de beslissing valt over veel of zelfs alles van jullie verdere ontwikkeling, van jullie toekomst. Voor de vorming van de eigen persoonlijkheid, voor de opbouw van het innerlijke mens-zijn is de kennis van de waarheid van fundamentele betekenis. Werkelijk rijp worden kan een mens slechts door de ontmoeting met de waarheid en door in de waarheid te zijn. Daarin is ook de diepe zin gelegen van de zo belangrijke opvoeding, in dienst waarvan ook het hele systeem van scholen tot universiteiten moet staan. Zij moet de jonge mens helpen om de wereld en zichzelf te leren kennen en verstaan; zij moet hem helpen oog te krijgen voor alles waardoor het bestaan en werken van de mens in de wereld pas zijn volle zin krijgt. Daarom moet zij hem ook helpen God te leren kennen. De mens kan niet leven zonder de zin van zijn bestaan te kennen.

Dit zoeken, dit zich oriënteren en rijpen in confrontatie met de fundamentele en volle waarheid van de werkelijkheid is echter niet gemakkelijk. Van oudsher is het zo geweest dat daarbij allerlei moeilijkheden te overwinnen waren. Juist hierop lijkt de heilige Paulus te doelen, wanneer hij in zijn tweede brief aan de Tessalonicensen schrijft: ,niet zo gauw uw bezinning te verliezen en u niet te laten opschrikken ... Laat u door niemand iets wijsmaken’ (2 Tess. 2, 2-3). Deze woorden, gericht aan een jonge gemeente onder de eerste christenen, moeten vandaag opnieuw gelezen worden tegen de achtergrond van onze moderne beschaving en cultuur. Zo zou ik jullie, jonge mensen van vandaag, willen toeroepen: Laat je niet ontmoedigen! Laat je niets wijsmaken!

Wanneer je goede ouders hebt, die je bemoedigen en je de goede weg wijzen, wees daar dan dankbaar voor. Misschien zijn het er meer dan jullie op het eerste gezicht in de gaten hebt. Niet weinigen echter hebben van hun ouders te lijden, voelen zich te weinig begrepen of zelfs alleen gelaten. Anderen moeten de weg van het geloof zelfs zonder of tegen hun ouders in zien te vinden. Velen lijden onder de school met haar ,prestatiedruk’ zoals jullie dat noemen; onder de arbeidsverhoudingen en situaties van dwang die daar voor kunnen komen, onder de onzekere toekomstperspectieven als het om een beroep gaat. Zou men er geen angst voor kunnen krijgen dat de technische en economische ontwikkelingen de natuurlijke levensvoorwaarden van de mens verstoren? En trouwens in het algemeen: Hoe zal het verder gaan met onze wereld die uiteen ligt in militaire machtsblokken, in arme en rijke volkeren, in vrije en totalitaire staten? Steeds opnieuw vlammen weer ergens in onze wereld de oorlogen op die over de mensen dood en ellende brengen. En dan, in vele delen van de wereld, dichtbij en veraf, daden van het meest brute geweld en van bloedige terreur. Zelfs op deze plaats waar wij de eucharistie vieren, moeten wij bij God ook de slachtoffers gedenken die onlangs aan de rand van dit grote plein door een springlading werden gewond of gedood. Het is nauwelijks te begrijpen waartoe de mens in de verwarring van zijn geest en hart in staat is.

Het is tegen deze achtergrond dat wij de roep van de Blijde Boodschap vernemen: ,Laat je niet zo gauw in de war brengen!’ Al deze noden en moeilijkheden maken deel uit van die tegenstand die onze groei in de fundamentele waarheid juist moet voeden en in stand houden. Het maakt in ons de krachten los om mee te werken aan de opbouw van een rechtvaardiger, menselijker wereld, en groeien in ons de bereidheid en moed om ook in toenemende mate verantwoordelijkheid op ons te nemen in het maatschappelijke, staatkundige en kerkelijke leven. Er is trouwens een werkelijk niet geringe troost gelegen in het feit dat ondanks veel schaduwen en duisternis er ook veel goeds is. Dat men er niet veel over spreekt, wil nog niet zeggen dat het er niet is. Dikwijls is het zo dat men het vele goeds dat in het verborgene gebeurt en misschien pas later een keer stralend zichtbaar zal worden, ook moet willen ontdekken en erkennen. Wat heeft bijvoorbeeld een moeder Teresa van Calcutta niet eerst in het klein en in het verborgen moeten doen, alvorens een verbaasde wereld haar en haar werk in de gaten kreeg? Laat je niet zo gauw in de war brengen!

Maar is het niet toch zo dat in jullie samenleving, zoals jullie die in jullie omgeving meemaakt, niet weinigen van degenen die zich christen noemen, weifelend geworden zijn of zelfs alle orientatie kwijt zijn? En heeft niet met name op jonge mensen heel nadelige gevolgen? Wordt daarin niet iets zichtbaar van de veelvoudige bekoring tot afval van het geloof, waarover de apostel in zijn brief spreekt?

Het woord van God in de liturgie van vandaag geeft ons een idee van de wijde horizon van zo’n geloofsafval, zoals die zich juist in onze eeuw lijkt af te tekenen, en maakt er de dimensies van duidelijk.

Sint Paulus schrijft: ,Het geheim van de goddeloosheid doet zijn werking al gevoelen...’ (2 Tess. 2, 7). Moeten wij voor onze tijd niet hetzelfde zeggen? Het geheim, de geheime kracht van de bandeloosheid, van de afval van God, heeft naar Paulus’ woorden een innerlijke structuur en zijn eigen verloop: ,... de goddeloze mens moet zich openbaren ... de tegenstander, die zich verheft boven al wat God heet of verering ontvangt, zo zelfs dat hij zich neerzet in Gods tempel en zich voor God uitgeeft’ (2 Tess. 2, 3-4). Zo ziet de innerlijke structuur eruit van de ontkenning, de ontworteling Gods uit het hart van de mens, en van de ontworteling Gods uit de menselijke samenleving, iets wat dan bovendien nog gebeurt zogenaamd met het oog op een vollediger ,humanisering’ van de mens, om de mens in een meer volledige zin mens te doen zijn en hem als het ware op Gods plaats te zetten, hem te ,vergoddelijken’. Deze structuur is overigens al zeer oud en ons al vanaf het eerste begin, vanuit de eerste hoofdstukken van het boek Genesis bekend: de bekoring namelijk om de ,goddelijkheid’ (van het beeld en de gelijkenis met God), door de Schepper aan de mens verleend, te vervangen door de ,vergoddelijking’ van de mens tegen God in – en zonder God, zoals dat zichtbaar wordt in de atheïstische vooronderstellingen van menig hedendaags systeem.

Wie zich sluit voor de fundamentele waarheid van de werkelijkheid, wie zichzelf tot maatstaf van alles maakt en zich zo in Gods plaats stelt, wie min of meer bewust meent het zonder God, de Schepper van de wereld, en zonder Christus, de Verlosser van de mensen te kunnen stellen, wie in plaats van God te zoeken afgoden naloopt, is altijd al op de vlucht voor de alleen grondende en geborgenheid schenkende waarheid.

Zo is daar de vlucht naar binnen, die kan leiden tot een berusting zonder hoop: ,Het is toch allemaal zinloos.’ Hadden de leerlingen van Jezus zo gehandeld, dan zou de wereld nooit iets van de verlossende boodschap van Jezus vernomen hebben. De vlucht naar binnen kan de vorm aannemen van een streven naar ,bewustzijnsverruiming’. Niet weinigen onder de jonge mensen, ook bij jullie, zijn ermee bezig hun innerlijk mens-zijn te verstoren door de vlucht in alcohol en drugs. Heel dikwijls vormen angst en vertwijfeling daarvan de achtergrond, maar dikwijls ook genotzucht, gebrek aan ascese en onverantwoorde nieuwsgierigheid die alles eens wil uitproberen. De vlucht naar binnen kan ook uitlopen in pseudo-religieuze sekten, die misbruik maken van jullie idealisme en jullie vermogen tot begeestering, en die jullie je vrijheid van denken en van geweten ontroven. Daartoe hoort ook de vlucht in bepaalde heilsleren, die voorspiegelen dat je op grond van sommige uitwendige praktijken het ware geluk zou kunnen bereiken, maar die uiteindelijk de mens op zichzelf en zijn onverloste eenzaamheid terugwerpen.

En dan is er ook de vlucht voor de fundamentele waarheid naar buiten toe, in politieke en sociale utopieën, in bepaalde droombeelden van de menselijke samenleving. Hoezeer idealen en doelstellingen ook nodig zijn, utopische toverformules helpen niet verder, temeer omdat ze meestal met totalitaire macht en verwoestend geweld gepaard gaan.

Jullie zien dit alles, deze veelheid aan vluchtwegen voor de waarheid, de geheime en onheilspellende macht van de goddeloosheid en van het kwaad die aan het werk is. Zou je zo niet in de bekoring komen van de eenzaamheid en verlorenheid? Daarop geeft de lezing van vandaag uit de profeet Ezechiël het antwoord. Deze spreekt daar van een herder die de verloren schapen in de eenzaamheid opzoekt, om ze , terug te brengen van alle plaatsen waar ze verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en dichte duisternis’ (Ez. 34, 12).

Deze herder, die de mens opzoekt in de donkere straat van zijn eenzaamheid en verlorenheid en die hem wil terugbrengen naar het licht, is Christus. Hij is de goede Herder. Steeds is ook Hij aanwezig in het verborgen midden van het ,geheim van het kwaad’ en zelf neemt Hij de grote zaak van het menselijk bestaan op aarde op zich. Hij doet dat in de waarheid, terwijl Hij het hart van de mens bevrijd van die fundamentele tegenspraak die gelegen is in het willen van de vergoddelijking van de mens zonder of tegen God, en die een klimaat schept van vereenzaming en verlorenheid. Op deze weg vanuit de donkere vereenzaming naar het ware mens-zijn toe, neemt Christus, de goede Herder, iedere afzonderlijke mens aan met een intense zoekende en begeleidende liefde, in het bijzonder iedere opgroeiende jonge mens.

De profeet Ezechiel zegt verder nog van deze Herder: ,Ik zal ze terugvoeren uit de volken, ze samenbrengen uit de landen en ze leiden naar hun eigen grond; Ik zal ze weiden op de bergen en in de dalen van Israël, op alle weideplaatsen van het land’ (Ez. 34, 13). ,Het verloren dier zal Ik zoeken, het afgedwaalde terughalen, het gewonde verbinden, het zieke sterken, de vette en de sterke dieren bewaren; Ik zal ze weiden zoals het behoort’ . (Ez. 34, 16).

Zo wil Christus de groei en rijping van de mens in zijn mens-zijn begeleiden. Hij begeleidt, voedt en sterkt ons in het leven van zijn Kerk, met zijn woord en in zijn sacramenten, met het Lichaam en het Bloed van zijn Pascha-viering. Hij voedt ons als de eeuwige Zoon van God, laat de mens deelhebben aan zijn goddelijk zoonschap, ,vergoddelijkt’ hem innerlijk, opdat hij ten volle ,mens’ wordt, opdat de mens, geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, zijn rijpheid in God bereikt.

Juist hierin ligt de reden waarom Christus zegt dat de oogst ,groot’ is. Zij is groot vanwege de alle maten te boven gaande bestemming van de mens. Zij is groot vanwege de waardigheid van de mens. Zij is groot, gemeten aan de maat van zijn roeping. Groot is deze wonderbare oogst van het Rijk Gods in de mensheid, de oogst van het heil in de geschiedenis van de mens, van volkeren en naties. Werkelijk, zij is groot - ,maar er zijn maar weinig arbeiders’ (Mt. 9, 37).

Wat betekent dat? Daarmee wil gezegd zijn, mijn dierbare jonge mensen, dat jullie geroepen zijn, door God geroepen. Mijn leven, mijn menselijk leven heeft daarin zijn zin, dat ik door God geroepen ben, met een wezenlijk, beslissend en definitief appèl. Alleen God kan de mens zo roepen, niemand anders. En deze roep van God is in en door Christus onophoudelijk tot ieder van jullie gericht: om arbeider te zijn in de oogst van het eigen mens-zijn, arbeider in de wijngaard van de Heer, in de Messiaanse oogst van de mensheid.

Jezus heeft ook uit jullie midden jonge mensen nodig, die gevolg geven aan zijn roepstem en zo leven als Hij, arm en ongehuwd, om zo temidden van jullie broeders en zusters een levend teken te zijn van de werkelijkheid van God.

God heeft priesters nodig, die zich door de goede Herder in dienst laten nemen, in de dienst van zijn woord en van zijn sacramenten ten bate van de mensen.

Hij heeft religieuzen nodig, mannen en vrouwen, die alles verlaten om Hem na te volgen en zo de mens te dienen.

Hij heeft christelijke echtparen nodig, die elkaar en hun kinderen de dienst bewijzen van de volle rijping van het mens-zijn in God. God heeft mensen nodig die bereid zijn de armen, zieken, verlatenen, bedrukten en psychisch gewonden te helpen en te dienen.

De meer dan duizendjarige roemrijke geschiedenis van het geloof in Christus in jullie volk is rijk aan mensen wier voorbeeld jullie een aansporing kan zijn bij de vervulling van je grote roeping. Slechts vier gestalten, mij ingegeven door deze dag en door deze stad München, zou ik ervan willen noemen. Het was in de begintijd van de geschiedenis van jullie geloof de heilige Corbinianus wiens bisschoppelijke werkzaamheid de basis legde voor het aartsbisdom München-Freising. Vandaag vieren wij in de liturgie zijn gedachtenis. Ik denk ook aan de heilige bisschop Benno von Meissen, wiens gebeente rust in de Liebfrauenkirche van München. Hij was een man van vrede en verzoening, die in zijn tijd de geweldloosheid predikte, een vriend van de armen en de noodlijdenden. Op deze dag gaan mijn gedachten ook uit naar de grote heilige Elisabeth, wier levenspreuk luidde: ,Liefhebben, zoals het evangelie dat vraagt’. Hoewel vorstin van de Wartburg, deed ze afstand van alle voorrechten van haar stand en leefde tenslotte helemaal voor de armen en uitgestotenen. Tenslotte wil ik nog wijzen op een man die menigeen van de hier aanwezigen of die jullie ouders nog persoonlijk gekend hebben, de jezuïetenpater Rupert Mayer, aan wiens graf in het centrum van München, in de crypte van de ,Bürgersaal’, dagelijks de vele honderden mensen een korte gebedspauze houden. Zonder te letten op de gevolgen van een zware verwonding die hij tijdens de Eerste Wereldoorlog opliep tijdens het bezoek aan een stervende, trad hij in de moeilijkste tijden openlijk en onverschrokken op voor de rechten van de Kerk en de vrijheid, waardoor hij de ontberingen te lijden kreeg van een concentratiekamp en van de verbanning.

Dierbare jonge mensen!.

Sta open voor de roep die Christus tot jullie richt! Jullie menselijk leven is een ,eenmalig avontuur en waagstuk’, dat zowel tot zegen als tot vloek kan worden. Met het oog op jullie, jonge mensen, die de grote hoop bent voor onze toekomst, willen wij de ,Heer van de oogst’ bidden, dat Hij ieder van jullie, ieder van jullie jonge medemensen op deze aarde als arbeiders wil zenden in zijn ,grote oogst’, overeenkomstig de grote volheid aan roepingen en gaven in zijn Rijk op deze aarde...

Dierbare broeders en zusters! Dierbare jeugd! Mijn jonge vrienden! Nog één keer begroet ik jullie, en nog eens herhaal ik: ,De oogst is groot!’- Amen.

Document

Naam: LAAT JE NIET IN DE WAR BRENGEN!
Toespraak tot de jongeren van Duitsland (19 november 1980)
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Toespraak
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 19 november 1980
Copyrights: © 1981, Stichting Verkondiging, Roermond nr. 6
Vert.: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam, test