• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Zoals boven gezegd is, is het de bedoeling van deze verklaring om de gelovigen in de huidige omstandigheden bepaalde dwalingen en handelwijzen onder ogen te brengen waarvoor zij zich in acht moeten nemen. Maar de deugd van kuisheid bestaat allerminst geheel in het vermijden van de aangegeven vergrijpen; zij eist, dat er ook naar wordt gestreefd hogere goederen te bereiken. Want het is een deugd die de hele persoon zowel in zijn innerlijke als uiterlijke handelwijze raakt.

De mensen moeten door deze deugd namelijk voor hun verschillende levensstaten worden toegerust: sommigen door maagdelijkheid of het God gewijde celibaat te beloven, op welke voortreffelijke wijze zij zich gemakkelijker met onverdeeld hart voor God alleen vrij kunnen maken; Vgl. 1 Kor. 7, 7-34 Concilie van Trente, 24e Zitting - Leer over het Sacrament van het Huwelijk, Sessio XXIV - Doctrina de sacramento matrimonii (11 nov 1563), 14 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 42-44 Bisschoppensynodes, Document over het ambtelijk priesterschap (2e Algemene Bisschoppensynode), De Sacerdotio Ministeriali - "Ultimis temporibus" (30 nov 1971). Synod of Bishops, "De Sacerdotio Ministeriali," part II, 4, b: AAS 63 (1971), pp. 915-916. anderen leiden echter een leven op een wijze die door de zedelijke wet voor allen wordt bepaald, naargelang zij een huwelijk aangaan of ongetrouwd zijn. Maar in geen levensstaat wordt de kuisheid alleen aan de uiterlijke lichaamstoestand afgemeten. Zij moet het hart zelf van een mens zuiver maken, volgens deze woorden van Christus: "Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult geen echtbreuk plegen. Maar Ik zeg u: Alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd" (Mt. 5, 28).

De kuisheid ligt in die zelfbeheersing besloten welke de heilige Paulus onder de gaven van de Heilige Geest rekent, daar hij de wellust als een ondeugd veroordeelt welke bijzonder een Christen niet past en van het rijk der hemelen uitsluit. Vgl. Gal. 5, 19-23 Vgl. 1 Kor. 6, 9-11 . "In de eerste plaats wil God dat gij u heiligt door u te onthouden van hoererij. Ieder van u moet zich een eigen vrouw weten te verwerven in heilige tucht en eerbaarheid, zonder zich door hartstocht te laten meeslepen zoals de heidenen, die God niet kennen. Laat niemand zich te buiten gaan en zijn broeder in deze aangelegenheid bedriegen. God heeft ons niet geroepen tot onkuisheid maar tot heiliging. Derhalve, wie deze vermaningen in de wind slaat, veracht niet een mens maar God, Hem die u zijn Heilige Geest schenkt." (1 Tess. 4, 3-8) Vgl. Kol. 3, 5-7 Vgl. 1 Tim. 1, 10 . "Ontucht en onzedelijkheid, in welke vorm dan ook, of hebzucht mag onder u zelfs niet ter sprake komen. Heiligen betaamt dit niet. Evenmin... schandelijke, grove of dubbelzinnige taal, maar veeleer dankzegging. Beseft het goed: geen ontuchtige of onreine of geldgierige - wat hetzelfde is als een afgodendienaar - heeft enig erfdeel in het Koninkrijk van Christus en van God. Laat niemand u met drogredenen misleiden, want om zulke dingen komt Gods toorn over de ongehoorzamen. Doe niet met hen mee. Eens waart gij duisternis, nu zijt gij licht door uw gemeenschap met de Heer. Leeft dan ook als kinderen van het licht." (Ef. 5, 3-8) Vgl. Ef. 4, 18-19

Bovendien voert de apostel een eigen reden van de Christenen aan, waarom de kuisheid beoefend moet worden, als hij de zonde van ontucht niet alleen afkeurt in zover deze daad de naasten of de sociale orde kwetst, maar ook omdat de ontuchtige Christus beledigt, door wiens bloed hij werd vrijgekocht en wiens lidmaat hij is, en de Heilige Geest, wiens tempel hij is: "Gij weet toch dat uw lichamen ledematen zijn van Christus? ... Elke andere zonde die een mens bedrijft, gaat buiten het lichaam om, maar de ontuchtige bezondigt zich aan zijn eigen lichaam. Gij weet het, uw lichaam is een tempel van de Heilige Geest, die in u woont, die gij van God hebt ontvangen. Gij zijt niet van uzelf. Gij zijt gekocht en de prijs is betaald. Verheerlijkt dan God met uw lichaam." (1 Kor. 6, 15.18-20).

Hoe beter de gelovigen het belang van de kuisheid begrijpen en haar noodzakelijke taak in hun leven juist als mannen en vrouwen, des te beter zien zij, door een geestelijk instinct gedreven, wat deze deugd voorschrijft en aanraadt; en, gehoorzamend aan het leergezag van de kerk, weten zij gemakkelijker datgene op te nemen en te vervullen wat door het correcte geweten in afzonderlijke gevallen zal worden bevolen.

De apostel Paulus beschrijft in levendige woorden de bittere strijd welke de mens die slaaf van de zonde is innerlijk ondervindt tussen de wet van zijn rede en een andere wet, in de ledematen, die hem gevangen houdt. Vgl. Rom. 7, 23 Maar de mens kan bevrijd worden van dit bestaan ten dode door de genade van Jezus Christus. Vgl. Rom. 7, 24-25 Deze genade genieten de mensen die door haar gerechtvaardigd zijn en die de wet van de Geest die in Christus Jezus het leven schenkt van de wet van de zonde en de dood heeft bevrijdt. Vgl. Rom. 8, 2 Daarom smeekt de apostel hen: "Laat dus de zonde niet heersen in uw sterfelijk lichaam, gehoorzaamt haar niet." (Rom. 6, 12)

Ofschoon deze bevrijding ons in staat stelt God in een nieuwheid van leven te dienen, neemt zij geenszins de begeerlijkheid weg welke uit de erfzonde voortkomt, noch de bekoringen tot het kwaad in deze wereld, "welke geheel in de macht ligt van de Boze." (1 Joh. 5, 19) Daarom spoort de apostel de gelovigen aan om door de kracht van God de verlokkingen van de ondeugden te overwinnen Vgl. 1 Kor. 10, 13 en "tegen de listen van de duivel" (Ef. 6, 11) stand te houden door het geloof, de waakzame ijver om te bidden Vgl. Ef. 6, 16.18 en ernst van leven waardoor het lichaam in de dienst van de Heilige Geest wordt terug gebracht. Vgl. 1 Kor. 9, 27

Een christelijk leven dat in de voetsporen van Christus gaat, eist, dat "ieder zichzelf verloochent en elke dag opnieuw zijn kruis opneemt" (Lc. 9, 23) gedragen door de hoop op de vergelding. "Als wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven. Als wij volharden, zullen wij ook met Hem heersen." (2 Tim. 2, 11-12). Overeenkomstig deze dringende vermaningen moeten de Christengelovigen ook in onze tijd, ja zelfs vandaag meer dan ooit, de middelen aanwenden die altijd door de kerk zijn aanbevolen om een kuis leven te leiden, en welke zijn: beheersing van zinnen en geest, waakzaamheid en voorzichtigheid om gelegenheden tot zondigen te vermijden, het bewaren van de ingetogenheid, soberheid in het genieten van genoegens, gezonde bezigheden, aanhoudend gebed en veelvuldig gebruik van de Sacramenten van de boete en de Eucharistie. Laten vooral de jongeren ijverig de godsvrucht tot de onbevlekte moeder van God voeden en er zich op toeleggen het leven van heiligen en andere Christengelovigen, in de eerste plaats van jongeren, na te volgen die boven anderen hebben uitgemunt in het beoefenen van de kuisheid.

In het bijzonder is echter nodig, dat allen de deugd van de kuisheid, haar schoonheid en schitterende luister hoogachten. Deze deugd stelt immers de waardigheid van de mens in het licht en maakt hem geschikt om de ware, grootmoedige liefde voor anderen te beoefenen die niet op eigen voordeel uit is.

Het is de geëigende taak van de Bisschoppen de gelovigen de zedenleer welke de geslachtelijkheid betreft te onderrichten, welke ook misschien de moeilijkheden zijn die de vervulling van deze taak bij de opvattingen en de tegenwoordig gangbare zeden ontmoet. Deze overgeleverde leer moet echter dieper worden gekend; bovendien moet zij zo worden overgedragen, dat het de gewetens in de nieuw ontstane situaties verlicht; en tenslotte moet zij met die elementen verstandig worden verrijkt welke over de betekenis en de inhoud van de menselijke geslachtelijkheid waar en nuttig naar voren kunnen worden gebracht. Maar de beginselen en normen over het zedelijk leven die door deze verklaring worden bevestigd, moeten trouw worden gehouden en onderwezen. Er moet op bijzondere wijze moeite worden gedaan om de gelovigen ervan te overtuigen, dat de kerk deze beginselen niet handhaaft als oude en onschendbare zaken die bijgelovig onderhouden moeten worden, noch, zoals dikwijls wordt beweerd, wegens een bevooroordeelde opvatting die naar manicheïsme smaakt, maar omdat zij zeker weet, dat deze beginselen volledig beantwoorden aan de goddelijke ordening van de geschapen dingen en aan de geest van Christus en derhalve ook aan de menselijke waardigheid.

Het is ook de taak van de Bisschoppen ervoor te waken, dat op de theologische faculteiten en op de seminaries de gezonde leer uiteen wordt gezet onder het licht van het geloof en leiding van het leergezag van de kerk. Tevens zal het hun zorg zijn, dat en de biechtvaders de gewetens verlichten en het catechetisch onderricht wordt gegeven op een wijze die trouw en volkomen de Katholieke leer voorstelt.

Het komt de Bisschoppen, de priesters en hun medehelpers toe de gelovigen te waarschuwen op hun hoede te zijn voor valse meningen die in boeken, tijdschriften en openbare vergaderingen dikwijls naar voren worden gebracht.

De ouders allereerst, maar ook de leermeesters van de jongeren, wordt op het hart gedrukt de kinderen en leerlingen door een integrale opvoeding tot een evenwichtigheid van geest, een volwassenheid van gevoelens en zeden te brengen. Daarom zullen zij hen ook over deze stof met voorzichtigheid en op een wijze die aan hun leeftijd is aangepast onderrichten en hun wil voortdurend tot de christelijke zeden vormen niet alleen door raadgevingen, maar ook en vooral door het voorbeeld van hun leven, gesteund door de hulp van God die zij zullen verkrijgen door te bidden. Zij moeten hen ook behoeden voor de vele gevaren welke de jongeren minder vermoeden.

Mogen de kunstenaars, schrijvers en al degenen die de sociale communicatiemiddelen in handen hebben hun beroep op een wijze uitoefenen die overeenkomt met hun christelijk geloof, volkomen bewust van de grote invloed welke zij op de mensen kunnen hebben. Zij mogen zich herinneren, dat iedereen onvoorwaardelijk de objectieve zedelijke orde voorop moet stellen 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de publiciteitsmedia, Inter Mirifica (4 dec 1963), 6 en dat het hun niet geoorloofd is een reden voorop te stellen welke zij esthetisch plegen te noemen, of winstgevende belangen of gunstige uitkomst voor de ondernemer. Of het nu gaat over kunst of literaire werken, of over voorstellingen, of informaties, iedereen moge op zijn eigen terrein omzichtigheid, behoedzaamheid gematigdheid en een juiste waardering van de dingen aan de dag leggen. Op deze wijze dragen zij, in plaats van de ongebondenheid van zeden te begunstigen, bij deze te beteugelen, ja zelfs om de zedelijke toestand van de samenleving gezonder te maken.

Voor alle gelovige leken moet het overeenkomstig hun taken en opdrachten in het apostolaatswerk een zorg zijn, dat zij zich met deze handelwijze in overeenstemming brengen.

Het is tenslotte van belang deze woorden van het Tweede Vaticaans Concilie in de herinnering van allen terug te roepen: "Evenzo verklaart de heilige kerkvergadering, dat de kinderen en de jongeren het recht hebben, gestimuleerd te worden om de morele waarden volgens een rechtgeaard geweten te beoordelen en met persoonlijke instemming te aanvaarden en evenzeer om God volmaakter te kennen en te beminnen. Daarom dan ook richt zij een nadrukkelijk verzoek tot allen die de volkeren besturen of de leiding van de opvoeding hebben erover te waken, dat de jeugd nooit van dit heilig recht wordt beroofd." 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de Christelijke opvoeding, Gravissimum Educationis (28 okt 1965), 1

 

Tijdens de audiëntie die op 7 november 1975 aan de ondergetekende prefect van de Heilige Congregatie voor de geloofsleer werd verleend, heeft Paulus VI, door de goddelijke voorzienigheid Paus, deze verklaring over enkele vraagstukken van de seksuele ethiek bekrachtigd, bevestigd en bevolen te publiceren.
Gegeven te Rome, vanuit de gebouwen van de Heilige Congregatie voor de Geloofsleer, 29 december 1975

FRANCISCUS kard. SEPER,
prefect

+ HIERONYMUS HAMER O.P.,
titulair aartsbisschop van Lorium, secretaris

Document

Naam: PERSONA HUMANA
Over enkele vraagstukken van de seksuele ethiek
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Franjo Kardinaal Seper
Datum: 29 december 1975
Copyrights: © Archief van de Kerken, 31e jrg (1976) nr. 4, p. 142 - 154
Bewerkt: 4 juni 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test