• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Maar de ervaringen van de apostel, die deelt in het lijden van Christus, gaat zelfs nog verder. In de brief aan de Kolossenzen lezen wij deze woorden van Paulus, die – wat de beproevingen betreft – als het ware het eindpunt van zijn geestelijke reis vormen: "Op het ogenblik verheug ik mij dat ik voor U mag lijden en in mijn lichaam aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van Zijn lichaam, dat is de Kerk" (Kol. 1,24). In een andere brief vraagt hij zijn lezers: "Gij weet toch dat uw lichamen ledematen zijn van Christus?" (1 Kor. 6,15).

In het paasmysterie heeft Christus een begin gemaakt met Zijn verbondenheid met de mens in de gemeenschap van de Kerk. Het mysterie van de Kerk wordt als volgt uitgedrukt: in de toediening van het doopsel, waardoor de mens in Christus wordt ingelijfd, en vervolgens door het offer van Christus – sacramenteel door de eucharistie – wordt de Kerk steeds meer als het lichaam van Christus geestelijk opgebouwd. In dit lichaam wil Christus met alle mensen verbonden worden en verenigt Hij zich vooral met degen die lijden. De reeds geciteerde woorden van de brief aan de Kolossenzen getuigen van het bijzondere karakter van deze verbondenheid. Want wie samen met Christus lijdt – zoals de apostel Paulus zijn "beproevingen" in verbondenheid met Christus ondergaat – put niet slechts uit Christus die kracht waarvan hierboven sprake was, maar door zijn eigen lijden kan hij "aanvullen wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus". In deze Bijbelse tekst wordt de waarheid van het scheppende karakter van het lijden op bijzondere wijze belicht. Het lijden van Christus heeft het heil van de Verlossing van de wereld bewerkt. Dit heil is in zich onuitputtelijk en oneindig en de mens kan er niets aan toevoegen. Maar tegelijk heeft Christus in het mysterie van de Kerk als Zijn lichaam Zijn verlossende lijden in zekere zin voor alle menselijke beproevingen opengesteld. In zoverre de mens deelt in het lijden van Christus – overal ter wereld en in ieder tijdperk van de geschiedenis – vult hij op zijn manier dit lijden aan, waardoor Christus de Verlossing van de wereld tot stand heeft gebracht.

Betekent dit dat de door Christus bewerkte verlossing niet volledig is? Neen. Het betekend alleen maar dat de Verlossing, die door de kracht van de verzoenende liefde tot stand is gebracht, voortdurend openstaat voor alle liefde die in het lijden van de mens zichtbaar wordt. In deze dimensie – de dimensie van de liefde – wordt de reeds volledig tot stand gebrachte Verlossing in zekere zin onophoudelijk voltooid. Christus heeft de Verlossing weliswaar volledig en definitief bewerkt; maar daarmee heeft Hij deze niet afgesloten: in dit verlossende lijden, waardoor de Verlossing voor allen tot stand is gebracht, heeft Christus van het begin af alles samengevat wat de mens lijden, in het verleden maar ook nu. Ja, het schijnt tot het wezen van het verlossende lijden van Christus te behoren dat dit lijden aangevuld moet worden.

Zo heeft Christus, door ook het lijden van de mensen erbij te betrekken, de wereld door Zijn lijden verlost. Hoewel deze Verlossing door het lijden van Christus geheel voltooid is, is ze toch op haar manier nog steeds levend en zet zich in de geschiedenis van de mens voort. Zij is levend en zet zich voort als het lichaam van Christus, dat de Kerk is, en al het menselijk lijden betekent daarom een aanvulling van het lijden van Christus krachtens de gemeenschap van allen in de liefde van Christus; op deze wijze voltooit de Kerk het heilswerk van Christus. Het mysterie van de Kerk – het lichaam dat in zichzelf ook de voltooiing is van het gekruisigde en verrezen lichaam van Christus – laat tegelijk de ruimte zien waarin het menselijk lijden het lijden van Christus aanvult. In deze dimensie en deze opvatting van de Kerk – het lichaam van Christus dat zich onophoudelijk en overal en te allen tijde voortzet – mag men denken en spreken over "wat nog ontbreekt" aan het lijden van Christus. Dit wordt overigens duidelijk door de apostel belicht, als hij schrijft over het aanvullen van "wat nog ontbreekt aan de verdrukkingen van de Christus, ten bate van Zijn lichaam, dat is de Kerk". Juist deze Kerk, die voortdurend uit de oneindige rijkdom van de Verlossing put en deze ingang doet vinden in het leven van de mensheid, vormt de dimensie waarin het verlossende lijden van Christus voortdurend door het lijden van de mens kan worden aangevuld. Zo wordt het god-menselijke karakter van de Kerk duidelijk. Het lijden schijnt in zekere zin in de eigenschappen van dit karakter te delen en heeft daarom in de Kerk een heel bijzondere waarde. Dit lijden is een goed dat de Kerk, in vast geloof aan de verlossing, met zorg hoedt, met alle intensiteit van dat geloof waarmee zij de Verlossing aanvaardt en waarmee zij uitdrukking geeft aan het onmetelijke en onuitsprekelijke mysterie van het lichaam van Christus.

Document

Naam: SALVIFICI DOLORIS
Over de christelijke zin van het menselijke lijden
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Apostolische Brief
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 11 februari 1984
Copyrights: © 1984, Stg. RK Voorlichting, Oegstgeest
Bewerkt: 19 oktober 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam, test