7 december 1965
De Kerk, die door God tot de volken is gezonden om "het universeel heilssacrament" te zijn 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 48, streeft ernaar, krachtens de diepste eisen van haar katholiciteit en in gehoorzaamheid aan de opdracht van haar Stichter Vgl. Mc. 16, 15 , de boodschap van het Evangelie te brengen aan alle mensen. Want de apostelen zelf, die het fundament zijn van de Kerk, hebben op het voorbeeld van Christus "het woord van de waarheid verkondigd en de Kerken voortgebracht" . H. Augustinus, Enarrationes in Psalmos. 44, 23: P.L. 36, 508; CChr. 38, 150. Het is de taak van hun opvolgers, dit werk te doen voortduren, opdat "het Woord des Heren zijn luisterrijke loop mag volbrengen" (2 Tess. 3, 1) en het Koninkrijk Gods over de gehele wereld mag worden gepreekt en gevestigd.
Bij de huidige ontwikkelingsgang van de wereld, waaruit voor de mensheid een heel nieuwe situatie ontstaat, voelt de Kerk, het zout der aarde en het licht der wereld Vgl. Mt. 5, 13-14 , zich nog dringender geroepen, heel de schepping te redden en te vernieuwen, opdat alles in Christus mag worden hersteld en de mensen in Hem tot één gezin en één Volk Gods mogen worden.
Daarom verlangt deze heilige Synode, vol dankbaarheid jegens God voor het prachtige werk, dat door de edelmoedige ijver van de gehele Kerk tot stand is gekomen, de beginselen van de missieactiviteit uiteen te zetten en de krachten van alle gelovigen te bundelen. Zo hoopt zij, dat het Volk Gods overal het Koninkrijk van Christus de Heer, die de eeuwen overschouwt Vgl. Sir. 36, 19 , zal verbreiden langs de smalle weg van het kruis en de paden zal bereiden voor zijn komst.
De Heer Jezus heeft reeds vanaf het begin "tot zich geroepen, die Hij zelf wilde, en er twaalf aangesteld om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken" (Mc. 3, 13-14) Vgl. Mt. 10, 1-42 . Zo werden de apostelen de kiem van het nieuwe Israël en tevens de oorsprong van de heilige Hiërarchie. Toen vervolgens de Heer door zijn dood en verrijzenis eenmaal in zichzelf de geheimen van ons heil en van het algeheel herstel had voltrokken en bekleed was met alle macht in de hemel en op aarde Vgl. Mt. 28, 18 , heeft Hij, vóór zijn hemelvaart Vgl. Hand. 1, 4-8 zijn Kerk gesticht als het heilssacrament, en de apostelen uitgezonden over de gehele wereld, zoals Hij zelf gezonden was door de Vader Vgl. Joh. 20, 21 . Hij gaf hun de opdracht: "Gaat dus en maakt alle volkeren tot mijn leerlingen en doopt hen in de naam van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest, en leert hen te onderhouden alles, wat Ik u bevolen heb" (Mt. 28, 19, v.). "Gaat uit over de hele wereld en verkondigt het Evangelie aan heel de schepping. Wie gelooft en gedoopt is, zal gered worden; maar wie niet gelooft, zal veroordeeld worden" (Mc. 16, 15, v.). Daarom rust op de Kerk de plicht, het geloof en het heil van Christus te verbreiden, zowel op grond van het uitdrukkelijk bevel, dat van de apostelen is overgegaan op de orde der bisschoppen, bijgestaan door de priesters, in eenheid met de opvolger van Petrus, die de opperherder is van de Kerk, alsook op grond van het leven, dat Christus aan zijn ledematen meedeelt: "van Hem uit voltrekt, samengevoegd en samen gehouden door allerlei stuttende geledingen, d.i. door de werking, die ieder deel is toegemeten, het gehele Lichaam de lichaamsgroei tot opbouw van zichzelf in liefde" (Ef. 4, 16). De zending van de Kerk wordt dus volvoerd door de activiteit, waardoor zij, in gehoorzaamheid aan Christus' bevel en gestuwd door de genade en de liefde van de Heilige Geest, ten volle tegenwoordig komt bij alle mensen of volken om hen door het voorbeeld van haar leven en door haar prediking, door de Sacramenten en de andere genademiddelen te brengen tot het geloof, de vrijheid en de vrede van Christus, en hun zo een onbelemmerde en veilige toegang te geven tot de volledige deelname aan het Christusmysterie.
Omdat deze zending de voortzetting is en de ontplooiing, door de geschiedenis heen, van de zending van Christus zelf, die gezonden werd om aan de armen de Blijde Boodschap te brengen, moet de Kerk onder de stuwing van de Geest van Christus ook de weg van Christus gaan, de weg nl. van armoede, gehoorzaamheid, dienstbaarheid en zelfopoffering tot aan de dood, die Hij door zijn verrijzenis heeft overwonnen. Want in deze hoop zijn alle apostelen hun weg gegaan; zij hebben door veel offers en lijden aangevuld, wat aan de kwellingen van de Christus ontbreekt ten bate van zijn Lichaam, dat de Kerk is Vgl. Kol. 1, 24 . Dikwijls ook was het bloed van de Christenen een zaad Tertullianus, Apologeticum. 50, 13 (P.L. 1, 534; CChr. 1, 171).