Paus Pius XII - 20 oktober 1939
Als wij nu deze encycliek, de eerste na de aanvaarding van het pontificaat, met een hart vol vertrouwen en hoop onder het teken en de bescherming van Christus-Koning stellen, dan zijn wij overtuigd, dat heel de kudde des Heren haar algemene en geestdriftige instemming daarmee betuigen zal. De gevaren, de angsten van het ogenblik, wekken in het hart van de katholieken de drang naar gemeenschap; zij werken zuiverend en versterkend op het gevoel van broederlijke samenhorigheid, in hogere mate wellicht dan ooit te voren. Zij roepen in de geest van allen, die geloven in God en die Jezus Christus als hun leider en meester volgen, levendiger het bewustzijn wakker van het éne dreigende gevaar, dat allen gelijkelijk boven het hoofd hangt.
Dit katholieke gemeenschapsgevoel, dat, zoals wij zeiden, door de benarde omstandigheden zo sterk is toegenomen, dat de harten tot inkeer brengt en bevestigt, en de wil om te overwinnen doet groeien, is voor ons een zoete verkwikking en een overgrote troost geweest in de dagen, waarin wij met sidderende schreden, maar vol vertrouwen op God, ons in het wettig bezit stelden van de leerstoel, die onze grote voorganger ledig had achtergelaten.