• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

In de persoon van de bisschoppen, ter zijde gestaan door de priesters, is dus de Heer Jezus Christus, de hoogste Pontifex, aanwezig temidden van de gelovigen. Want, ofschoon Hij zetelt aan de rechterhand van de Vader, houdt Hij niet op, aanwezig te zijn in de vergadering van zijn bisschoppen. H. Paus Leo I de Grote, Sermones. 5, 3; P.L. 54, 154 Vooral door hun verheven dienstwerk verkondigt Hij het woord Gods aan alle volken en dient hij voortdurend aan de gelovigen de sacramenten toe van het geloof. Door middel van hun vaderlijk ambt Vgl. 1 Kor. 4, 15 voegt Hij door een hemelse wedergeboorte nieuwe ledematen toe aan zijn Lichaam.

Door hun wijsheid tenslotte en hun beleid geeft Hij leiding en orde aan het volk van het nieuwe verbond op zijn pelgrimstocht naar het eeuwig geluk. Deze herders, uitverkoren om de kudde van de Heer te weiden, zijn de helpers van Christus, belast met het beheer van Gods geheimen Vgl. 1 Kor. 4, 1 . Aan hen is toevertrouwd het getuigenis voor het Evangelie van Gods genade Vgl. Rom. 15, 16 Vgl. Hand. 20, 24 , en de dienst van de Geest en de gerechtigheid in heerlijkheid Vgl. 2 Kor. 3, 8-9 .

Om deze verheven functies te kunnen vervullen hebben de apostelen van Christus een bijzondere uitstorting ontvangen van de Heilige Geest, die over hen is neergedaald Vgl. Hand. 1, 8 Vgl. Hand. 2, 4 Vgl. Joh. 20, 22-23 , en zij zelf hebben door de handoplegging aan hun medehelpers de geestelijke gave overgedragen Vgl. 1 Tim. 4, 14 Vgl. 2 Tim. 1, 6-7 , die tot op onze dagen in de bisschopsconsecratie is doorgegeven. Concilie van Trente, 22e Zitting - Over het allerheiligst Misoffer, Sessio XXII - Doctrina de sanctissimo Missae sacrificio (17 sept 1562), 4. Het Concilie van Trente, Sess. 23, cap. 3, haalt deze woorden van 2 Tim. 1, 6-7 aan, om te bewijzen, dat het Priesterschap een echt sacrament is. (Denz. 1766) Het heilig Concilie leert daarom, dat door de bisschopsconsecratie de volheid van het Sacrament van het priesterschap wordt meegedeeld, die door het liturgisch gebruik van de Kerk en door de heilige Vaders het hogepriesterschap, de bekroning van het heilig ministerie wordt genoemd H. Hippolytus, Traditio Apostolica. 3, (ed. Botte, Sources chrét., pp. 27-30, wordt aan de bisschop het primaat van het Priesterschap toegekend. Vgl. H. Paus Leo I de Grote, Sacramentarium Leonianum. ed, Mohlberg, Sacramentarium Veronense, Romae 1955, p. 119: "Tot het ministerie van het hogepriesterschap... Voltooi in uw priesters het hoogtepunt van uw mysterie...". Vgl. Paus Gelasius I, Sacramentarium Gelasianum. Romae 1960, pp. 121-122: "Schenk hun Heer, de bisschopszetel voor het besturen van uw Kerk en geheel uw volk". Zie P.L. 78 224. De bisschopsconsecratie schenkt, naast de taak om te heiligen, ook de taak om te onderwijzen en de taak om te besturen, die echter krachtens haar aard slechts kunnen worden uitgeoefend in hiërarchische gemeenschap met het hoofd en de leden van het college. Want de traditie, die vooral blijkt uit de liturgische riten en uit het gebruik van de oosterse en westerse Kerk, leert duidelijk, dat door de handoplegging en de wijdingswoorden de genade van de Heilige Geest wordt meegedeeld H. Hippolytus, Traditio Apostolica. 2, (ed. Botte, p. 27) en het heilig merkteken wordt ingedrukt Concilie van Trente, 23e Zitting - Leer over de heilige Wijding, Sessio XXIII - Doctrina de sacramento ordinis (15 juli 1563), 5. Het Concilie leert dat het Sacrament van de Wijding een onuitwisbaar merkteken indrukt Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Homilie, Bij de wijding van 14 Bisschoppen voor Afrika, Azië en Oeceanië (8 mei 1960). A.A.S. 52 (1960) 466 Vgl. H. Paus Paulus VI, Homilie, Bij de wijding van 14 Bisschoppen in de Sint Pietersbasiliek, Animi nostri attentionem (20 okt 1963). A.A.S. 55 (1963) 1014, waardoor de bisschoppen op eminente en zichtbare wijze Christus zelf als Leraar, Herder en Hogepriester vertegenwoordigen en in zijn naam optreden H. Bernardus van Clairvaux, Homilies over het Hooglied, Sermones in Canticum Canticorum. 63, 14: P.L. 4, 386; Hartel IIIB, p. 713: "De priester treedt werkelijk op in naam van Christus" H. Johannes Chrysostomos, In epistulam ii ad Timotheum. 4: P.G. 62, 612: De priester is het symbool van Christus H. Ambrosius van Milaan, Enarrat in Psal.. 38, 25-26: P.L. 14, 1051-52; CSEL 64, 203-204 Vgl. Ambrosiaster, In 1 Tim.. 5, 19: P.L. 17, 479C Vgl. Ambrosiaster, In Eph.. 4, 11-12: P.L. 17, col. 387C. Vgl. Theodorus van Mopsuestia, Hom. Catech.. XV, 21 en 24: ed. Tonneau, pp. 497 en 503. Vgl. Hesychius van Jeruzalem, In Lev.. L. 2, 9, 23: P.G. 93, 894B. Het komt aan de bisschoppen toe om door het Sacrament van de Wijding nieuwe uitverkorenen in het college van bisschoppen op te nemen.

Zoals de heilige Petrus en de andere apostelen krachtens de wil van de Heer één apostelcollege vormen, zo zijn op overeenkomstige wijze ook de paus, de opvolger van Petrus, en de bisschoppen, de opvolgers van de apostelen, met elkaar verbonden. Reeds het aloude gebruik, dat de bisschoppen van de gehele wereld in gemeenschap leefden met elkaar en met de bisschop van Rome in een band van eenheid, liefde en vrede Vgl. H. Eusebius van Caesarea, Geschiedenis van de Kerk, Historia Ecclesiastica. V, 24, 10: G.C.S. II, 1, p. 495; ed. Bardy, Sources Chrét. II, p. 69 Vgl. H. Eusebius van Caesarea, Geschiedenis van de Kerk, Historia Ecclesiastica. Dionysius: VII, 5, 2: G.C.S. II, 2, p. 638v.; Bardy, II, p. 168v., en ook het bijeenroepen van concilies Vgl. H. Eusebius van Caesarea, Geschiedenis van de Kerk, Historia Ecclesiastica. V, 23-24: G.C.S. II, 1, p. 488vv.; Bardy, II, p. 66vv. en passim. Vgl. 1e Concilie van Nicea, Canons, Canones (25 juli 325), 5. can. 5: Conc. Oec. Decr. P. 7 met het doel om gemeenschappelijke beslissingen te nemen ook over zaken van het hoogste belang Tertullianus, De Ieiunio Adversus Psychicos. 13: P.L. 2, 972B; CSEL 20, p. 292, lin. 13-16, waarbij de uitspraak zorgvuldig was gewikt en gewogen door het overleg van velen H. Cyprianus van Carthago, Brieven, Epistolae. 56, 3: Hartel, IIIB, p. 650; Bayard, p. 154, duiden op het collegiaal karakter en de collegiale aard van de orde der bisschoppen; en de oecumenische concilies, in de loop van de eeuwen gehouden, bevestigen dit collegiaal karakter overduidelijk. Op dit collegiaal karakter wijst reeds de oude gewoonte, meerdere bisschoppen uit te nodigen om deel te nemen aan de verheffing van een nieuw gekozene tot het ministerie van het hogepriesterschap. Men wordt lid van het college van bisschoppen door de bisschopsconsecratie en door de hiërarchische gemeenschap met het hoofd en de leden van het college.

Het college of corps van bisschoppen heeft echter alleen maar gezag, voorzover het beschouwd wordt samen met de paus, de opvolger van Petrus, als het hoofd van dit college, en met behoud van diens primaat over allen, herders zowel als gelovigen. De paus immers heeft, krachtens zijn ambt als plaatsbekleder van Christus de herder van de gehele Kerk, de volledige, hoogste en universele macht over de Kerk, een macht, die hij altijd vrij kan uitoefenen. Van de andere kant is de orde der bisschoppen, die het apostelcollege opvolgt in het leerambt en in het herderlijk bestuur, en die zelfs de voortdurende voortzetting is van het apostelcollege, samen met haar hoofd de paus, en nooit zonder dit hoofd, eveneens subject van de hoogste en volledige macht over de universele Kerk vgl. het officiële verslag van Zinelli, in Conc. Vat. 1: Mansi 52, 1109C., al kan deze macht slechts met instemming van de paus worden uitgeoefend. De Heer heeft alleen Simon Petrus verheven tot rots en sleuteldrager van de Kerk (Mt. 16, 18-19) en hem aangesteld tot herder van heel zijn kudde Vgl. Joh. 21, 15. vv . Van de andere kant staat vast, dat de taak om te binden en te ontbinden, die aan Petrus is gegeven (Mt. 16, 19), ook gegeven is aan het college der apostelen in eenheid met zijn hoofd (Mt. 18, 18)(Mt. 28, 16-20). Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 16-25 Zie Relatio Kleutgen de Schemate reformatio: Mansi 53, 321B-322B en de declaratio van Zinelli: Mansi 52, 1110A. Vgl. H. Paus Leo I de Grote, Sermones. 4, 3: PL 54, 151A Voor zover dit college uit velen bestaat, brengt het de verscheidenheid en de universaliteit van het volk Gods tot uitdrukking; voor zover het verenigd is onder één hoofd, drukt het de eenheid uit van Christus' kudde. In dit college oefenen de bisschoppen, met trouwe eerbiediging van het primaat en de voorrang van hun hoofd, een eigen macht uit voor het welzijn van hun gelovigen, ja van geheel de Kerk; en de Heilige Geest versterkt voortdurend de organische structuur en haar harmonische eenheid. De hoogste macht over de gehele Kerk, die dit college bezit, wordt op plechtige wijze uitgeoefend in een oecumenisch concilie. Een oecumenisch concilie is nooit mogelijk, als het niet door de opvolger van Petrus als zodanig is bekrachtigd of althans aanvaard; en aan de paus komt het uitsluitend recht toe, deze concilies bijeen te roepen, voor te zitten en te bekrachtigen. Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 227 Deze collegiale macht kunnen de bisschoppen, over heel de wereld verspreid, tezamen met de paus uitoefenen, mits het hoofd van het college hen uitnodigt tot een collegiaal handelen of minstens het gezamenlijk handelen van de overal verspreide bisschoppen goedkeurt of vrij aanvaardt, zodat er een echte collegiale akt ontstaat.

De collegiale eenheid treedt ook aan het licht in de wederzijdse betrekkingen van de afzonderlijke bisschoppen met de particuliere Kerken en met de universele Kerk. De Paus, als opvolger van Petrus, is het blijvende en zichtbare beginsel en fundament van de eenheid zowel van de bisschoppen als van de menigte der gelovigen. Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 1 De afzonderlijke bisschoppen op hun beurt zijn het zichtbare beginsel en fundament van eenheid in hun particuliere Kerken Vgl. H. Cyprianus van Carthago, Brieven, Epistolae. 66, 8: Hartel, III, 2, p. 733: "De bisschop is in de Kerk en de Kerk in de bisschop", die gevormd zijn naar het beeld van de universele Kerk; in en uit deze particuliere Kerken bestaat de ene en enige katholieke Kerk. Vgl. H. Cyprianus van Carthago, Brieven, Epistolae. 55, 24: Hartel, p. 642, lin. 13: "Er is één Kerk over heel de wereld, bestaande uit vele ledematen". Vgl. H. Cyprianus van Carthago, Brieven, Epistolae. 36, 4: Hartel, p. 575, lin. 20-21 Daarom vertegenwoordigen de afzonderlijke bisschoppen hun eigen Kerk, en zij allen, tezamen met de Paus vertegenwoordigen de gehele Kerk in een band van vrede, liefde en eenheid.

De afzonderlijke bisschoppen, die aan het hoofd staan van de particuliere Kerken, oefenen hun herderlijk bestuur uit over dat deel van het volk Gods, dat hun is toevertrouwd, niet over de andere Kerken en niet over de universele Kerk. Maar als leden van het college van bisschoppen en als wettige opvolgers van de apostelen moeten zij ieder, krachtens de instelling en het gebod van Christus, een echte zorg hebben voor de gehele Kerk Vgl. Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei Donum (21 apr 1957), 16 , een zorg, die, al wordt ze niet door een jurisdictie-akt uitgeoefend, toch in hoge mate bijdraagt tot het welzijn van de universele Kerk. Alle bisschoppen immers moeten de eenheid van het geloof en de gemeenschappelijke discipline van de gehele Kerk bevorderen en verdedigen. Zij moeten de gelovigen liefde bijbrengen voor heel het mystieke Lichaam van Christus, vooral voor de arme en lijdende ledematen en voor hen, die vervolgd worden omwille van de gerechtigheid (Mt. 5, 10). Zij moeten tenslotte alle soort van activiteit, die van de gehele Kerk uitgaat, stimuleren, vooral waar het gaat om de verbreiding van het geloof en het brengen van het licht van de volle waarheid aan alle mensen. Overigens is het een vaststaande waarheid, dat zij door het goed besturen van hun eigen Kerk, als deel van de universele Kerk, krachtig bijdragen tot het welzijn van heel het mystieke Lichaam, dat ook het Lichaam is van de Kerken. Vgl. H. Hilarius van Poitiers, Instructio Psalmorum. 14, 3: P.L. 9, 206; CSEL 22, p. 86 Vgl. H. Paus Gregorius de Grote, Moreel commentaar op (het boek) Job, Moralia in Job. IV, 7, 12: P.L. 75, 643C Vgl. Pseudo Basilius, In Isaias. 15, 296: P.G. 30, 637C

De zorg voor de verkondiging van het Evangelie over heel de wereld rust op het college van bisschoppen, want aan allen gemeenschappelijk heeft Christus deze opdracht gegeven en hun daarmee een gemeenschappelijke plicht opgelegd, gelijk reeds Paus Coelestinus de vaders van het Concilie van Efese op het hart drukte H. Paus Celestinus I, Epistulae. 18, 1-2, ad Conc. Eph.: P.L. 50, 505AB; Schwartz, Acta Conc. Oec. I, 1, 1, p. 22. Vgl. Paus Benedictus XV, Apostolische Brief, Over de verkondiging van het geloof over de gehele wereld, Maximum Illud (30 nov 1919), 1 Paus Pius XI, Encycliek, Over de Katholieke Missie, Rerum Ecclesiae (28 feb 1926), 69 Paus Pius XII, Encycliek, Over de toestand van de Afrikaanse missie, Fidei Donum (21 apr 1957), 16 Daarom dient iedere bisschop, voor zover zijn eigen ambtsbezigheden het hem toestaan, samen te werken met de andere bisschoppen en met de opvolger van Petrus, aan wie op bijzondere wijze de grootste taak is toevertrouwd, het christendom te verbreiden Paus Leo XIII, Encycliek, Over de HH. Cyrillus en Methodius, Grande Munus (30 sept 1880). A.S.S. 13 (1880) 145 Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 1327.1350. § 2 Zij moeten derhalve naar best vermogen de missies voorzien van missionarissen en van geestelijke en stoffelijke hulpmiddelen zowel persoonlijk en rechtstreeks als door een dringende opwekking tot de gelovigen om het missiewerk krachtig te steunen. Tenslotte moeten de bisschoppen in een universele liefdegemeenschap graag hun broederlijke hulp verlenen aan andere Kerken, vooral aan de nabij gelegen en meer behoeftige Kerken, volgens het eerbiedwaardige voorbeeld van de oude Kerk.

Door Gods Voorzienigheid hebben verschillende Kerken, door de apostelen en hun opvolgers op verschillende plaatsen gesticht, zich in de loop van de tijd aaneengesloten tot meerdere organische verbonden groepen, die met behoud van de eenheid van het geloof en van de goddelijke eenheidsstructuur van de universele Kerk, een eigen discipline bezitten, eigen liturgische gebruiken en een eigen erfgoed van theologie en spiritualiteit. Sommige van deze, met name de oude patriarchale Kerken, hebben als Moederkerken van het geloof, Dochterkerken voortgebracht, waarmee zij tot op onze tijd verbonden zijn door een intiemere band van liefde in het sacramentele leven en in een wederzijdse erkenning van rechten en plichten Vgl. 1e Concilie van Nicea, Canons, Canones (25 juli 325), 6. voor de rechten van de patriarchale zetels Alexandrië en Antiochië (Conc. Oec. Decr., p. 8.) Vgl. 1e Concilie van Nicea, Canons, Canones (25 juli 325). voor de rechten van de patriarchale zetels Jeruzalem: (Conc. Oec. Decr., p. 8.) Vgl. 4e Concilie van Lateranen, Hfd 5. Over de waardigheid van de patriarchen, Caput 5. De dignitate Patriarcharum (11 nov 1215). (Conc. Oec. Decr., p. 215 Vgl. Concilie van Florence, Bul, Sessio VI - 6e Zitting: Over de eenheid met de Grieken, Laetentur caeli - Decretum pro Graecis (6 juli 1439), 8-9. (Conc. Oec. Decr., p. 504) Deze op eenheid gerichte verscheidenheid van plaatselijke Kerken is een des te schitterender bewijs van de katholiciteit van de ene en onverdeelde Kerk. Eveneens kunnen de bisschoppenconferenties tegenwoordig vruchtbaar en op velerlei wijze bijdragen tot een concrete verwezenlijking van de collegialiteit.

Als opvolgers van de apostelen ontvangen de bisschoppen van de Heer, aan wie alle macht is gegeven in de hemel en op aarde, de zending, alle volken te onderrichten en het Evangelie te verkondigen aan heel de schepping om zo alle mensen door het geloof, het doopsel en het onderhouden van de geboden te brengen tot het heil. Vgl. Mt. 28, 18 Vgl. Mc. 16, 15.16 Vgl. Hand. 26, 17. v Voor het vervullen van deze zending heeft Christus de Heer aan de apostelen de Heilige Geest beloofd en Hem op de Pinksterdag uit de hemel doen neerdalen. Door de kracht van de Heilige Geest moesten de apostelen zijn getuigen zijn tot het uiteinde der aarde, voor heidenen, volken en koningen. Vgl. Hand. 1, 8 Vgl. Hand. 2, 1. vv. Vgl. Hand. 9, 15 Deze taak, door de Heer aan de herders van zijn volk toevertrouwd, is een echt dienstbetoon, dat in de heilige Schrift zo treffend wordt aangeduid met de naam "diakonia" of dienstwerk. Vgl. Hand. 1, 17.25 Vgl. Hand. 21, 19 Vgl. Rom. 11, 13 Vgl. 1 Tim. 1, 12

De canonieke zending van de bisschoppen kan geschieden door middel van rechtmatige gewoonten, die door het hoogste en universele gezag van de Kerk niet zijn herroepen, of door middel van wetten, door dit gezag uitgevaardigd of erkend, of rechtstreeks door de opvolger zelf van Petrus. Zou deze zijn instemming niet geven of de apostolische gemeenschap weigeren, dan kunnen de bisschoppen niet tot dit ambt worden verheven. Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 216-314. over de Patriarchen Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 324-339. over de Archiepiscopi Maiores Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 362-391. over de andere hoogwaardigheidsbekleders Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 238. in het bijzonder can. 238 § 3 Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 216.240.251.255. : over de benoeming van de bisschoppen door de patriarchen.

Onder de voornaamste functies van de bisschoppen neemt de prediking van het Evangelie een bijzondere plaats in. Vgl. Concilie van Trente, Sessio V - De reformationis. c. 2, n. 9 Vgl. Concilie van Trente, 14e Zitting - De leer over het Sacrament van de Biecht, Sessio XIV - Doctrina de sacramento poenitentiae (25 nov 1551), 31 De bisschoppen immers zijn de herauten van het geloof, die nieuwe leerlingen tot Christus brengen; zij zijn de officiële leraars, met Christus' gezag bekleed, die aan het hun toevertrouwde volk het geloof verkondigen, dat door dit volk moet worden aanvaard en beleefd. Zij verklaren dit geloof onder het licht van de Heilige Geest waarbij zij uit de schat van de openbaring nieuw en oud te voorschijn halen Vgl. Mt. 13, 52 ; zij brengen het tot wasdom en vrijwaren het met zorg voor de dwalingen, die hun kudde bedreigen. Vgl. 2 Tim. 4, 1-4 Als de bisschoppen in gemeenschap met de paus optreden als leraars, hebben zij als getuigen van de goddelijke en katholieke waarheid recht op de eerbied van allen; en de gelovigen moeten de uitspraak van hun bisschop over geloof en zeden, in naam van Christus gedaan, aanvaarden en er eerbiedig mee instemmen. Deze eerbiedige instemming van wil en verstand moet men op bijzondere wijze geven aan het authentieke leerambt van de paus, ook wanneer hij niet ex cathedra spreekt. Men moet nl. zijn opperste leerambt eerbiedig erkennen en zijn uitspraken oprecht aanvaarden overeenkomstig zijn duidelijk gemanifesteerde bedoeling en wil, die vooral spreekt uit de aard van de documenten, het telkens opnieuw voorhouden van dezelfde leer of uit de formulering.

De afzonderlijke bisschoppen bezitten weliswaar niet het privilege der onfeilbaarheid; wanneer zij echter, ook al zijn zij verspreid over heel de wereld, maar

  • in gemeenschap leven met elkaar en met de opvolger van Petrus,
  • een officiële leer geven over geloof en zeden en
  • hierbij gezamenlijk komen
  • tot één definitief te aanvaarden uitspraak,

dan verkondigen zij op onfeilbare wijze de leer van Christus. Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 13. Zie de noot bij schema I De Ecclesia (ontleend aan S. Rob. Bellarminus): Mansi 51, 579C; en ook het omgewerkte schema van Const. II De Ecclesia Christi met de commentaar van Kleutgen: Mansi 53, 313AB Z. Paus Pius IX, Brief, Onderwerping aan het Leergezag van de Kerk - Aan de Aartsbisschop van München-Freising, Tuas libenter (21 dec 1863), 5 Dit is nog duidelijker het geval, wanneer zij, in een oecumenische concilie bijeen, voor geheel de Kerk optreden als leraars en rechters van geloof en zeden; dan moet men aan hun uitspraken de instemming geven van het geloof. Vgl. Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 1322-1323

Deze onfeilbaarheid, waarmee de Kerk door de gave van de goddelijke Verlosser is uitgerust bij het definiëren van een leer over geloof of zeden, strekt zich even ver uit als de schat van de goddelijke openbaring, die ongerept moet worden bewaard en naar waarheid moet worden verklaard. Deze onfeilbaarheid bezit de paus, het hoofd van het college van bisschoppen, krachtens zijn ambt, wanneer hij als opperste herder en leraar van alle gelovigen, die zijn broeders versterkt in het geloof Vgl. Lc. 22, 32 , een leer omtrent geloof of zeden door een definitieve akt proclameert. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 25 Daarom worden zijn definitieve uitspraken terecht onveranderlijk genoemd uit zichzelf en niet krachtens de instemming van de Kerk, omdat ze zijn geschied onder de bijstand van de Heilige Geest, die hem in de persoon van de heilige Petrus is beloofd, en dientengevolge geen goedkeuring van anderen nodig hebben en geen enkel appèl op een ander oordeel toelaten. Want dan doet de paus geen uitspraak als privaat persoon, maar verklaart of verdedigt hij als opperste leraar van de universele Kerk, die op bijzondere wijze is begiftigd met het onfeilbaarheids-charisma van de Kerk zelf, de leer van het katholieke geloof vgl. Commentaar van Gasser op Conc. Vat. I: Mansi 52, 1213AC. De aan de Kerk beloofde onfeilbaarheid bezit ook het college van bisschoppen, wanneer het met de opvolger van Petrus het hoogste leerambt uitoefent. Aan deze definitieve uitspraken kan de instemming van de Kerk nooit ontbreken vanwege de werking van dezelfde Heilige Geest, die de gehele kudde van Christus bewaart in de eenheid van het geloof en haar daarin doet groeien vgl. Commentaar van Gasser op Conc. Vat. I: Mansi 52, 1214A

Wanneer nu de paus of het college van bisschoppen samen met hem een definitieve uitspraak doet, doen zij deze in overeenstemming met de openbaring zelf, waaraan allen moeten vasthouden en waarnaar zij zich moeten richten. Deze openbaring wordt schriftelijk of langs de weg van de traditie onveranderd doorgegeven de rechtmatige successie van de bisschoppen en vooral door de paus zelf; en ze wordt onder de voorlichting van de Geest der waarheid in de Kerk ongerept bewaard en naar waarheid verklaard vgl. Commentaar van Gasser op Conc. Vat. I: Mansi 52, 1215CD, 1216-1217A Voor een goede bestudering en een juiste weergave van de openbaring zetten paus en bisschoppen, overeenkomstig hun ambt en het belang van de zaak, zich volledig in met gebruikmaking van de geschikte middelen vgl. Commentaar van Gasser op Conc. Vat. I: Mansi 52, 1213 ; zij ontvangen echter geen nieuwe officiële openbaring als behorend tot de goddelijke schat van het geloof. 1e Vaticaans Concilie, 4e Zitting - Dogmatische Constitutie over de Kerk van Christus, Pastor Aeternus (18 juli 1870), 21

Document

Naam: LUMEN GENTIUM
Over de Kerk
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Datum: 21 november 1964
Copyrights: © 1965, Ecclesia Docens nr. 0713. Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 6 oktober 2022

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test