
7 december 1965
Om iedereen in staat te stellen, zijn gewetensplicht met grotere nauwgezetheid te vervullen, zowel tegenover zich zelf als tegenover de verschillende groeperingen, waarvan hij deel uitmaakt, moet men de mensen met alle zorg een nog bredere geestescultuur bijbrengen door het benutten van de enorme middelen, die tegenwoordig de mensheid ten dienste staan. Vóór alles moet men de jonge mensen uit welke sociaal milieu zij ook komen, een vorming geven, die er op gericht is, van hen mannen en vrouwen te maken, niet alleen met een verstandelijke ontwikkeling, maar ook met een sterk karakter, gelijk onze tijd die zo dringend nodig heeft.
de mens echter zal dit verantwoordelijkheidsbesef maar nauwelijks kunnen opbrengen, als het hem door zijn levensomstandigheden niet mogelijk wordt gemaakt, zich goed bewust te worden van zijn waardigheid en te beantwoorden aan zijn roeping door zich zelf in te zetten voor God en voor de anderen. Want dikwijls zien wij de menselijk vrijheid verzwakken waar de mens tot uiterste nood vervalt, gelijk wij haar zien ontaarden, waar de mens zich te veel overgeeft aan de gemakken van het leven en zich als het ware in een ivoren toren opsluit. Daarentegen zien wij die vrijheid sterker worden, wanneer de mens de onvermijdelijke verplichtingen van het sociale leven aanvaardt, de veelsoortige eisen van het menselijk samenleven op zich neemt en zich wijdt aan de dienst van de menselijke gemeenschap.
Daarom moet men bij allen de wil stimuleren om hun bijdrage te leveren aan de gemeenschappelijke initiatieven. En de praktijk van de landen, waar de burgers in een zo groot mogelijk aantal en in volle vrijheid deel nemen aan het bestuur van het land, is ten zeerste te prijzen. Men dient echter rekening te houden met de concrete toestand van ieder volk en met de noodzakelijke kracht, die het openbaar gezag behoort te bezitten. Wil echter bij alle burgers de bereidheid gewekt worden om deel te nemen aan het leven van de verschillende groeperingen, die het sociaal lichaam vormen, dan moeten deze groeperingen ook waarden te bieden hebben, die voor hen aantrekkelijk zijn en waardoor zij zich gemakkelijker in dienst stellen van anderen. Met recht mag men aannemen, dat de toekomst van de mensheid ligt in de handen van hen, die aan de komende generaties weten duidelijk te maken, waarom zij moeten leven en hopen.