• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DOELSTELLING VAN DE DIPLOMATIE IS OM VREDE TE MAKEN
Tot het Corps Diplomatique

Excellenties, mijne heren,

Wij zijn uw waardige vertolker van deze zo welwillende woorden zeer erkentelijk, en wij danken u van harte voor uw aanwezigheid hier en voor het respectvol eerbetoon dat u ons zo ieder jaar bij de terugkeer van het feest van Kerstmis en Nieuwjaar wilt bewijzen. Deze tijd brengt ons vanzelfsprekend het oude en altijd nieuwe thema van de vrede voor de geest; en de ontmoeting met het Corps Diplomatique brengt het met nog meer klem onder onze aandacht: want voor u, diplomaten, gaat het hierbij niet om een woord dat vreugdewensen of trieste vooruitzichten uitspreekt; zelfs niet eenvoudig om een theoretisch onderwerp van overweging en studie. Het is, zo kunnen we zeggen, de kern en het doel van uw 'missie', in de volle betekenis die met deze edele term is verbonden.

U bent niet alleen profiterende of lijdende toeschouwers van de hoogtepunten en dieptepunten van de vrede in de wereld. U bent krachtens een bijzonder ambt en een heel speciale verantwoordelijkheid de beschermers en verdedigers van de vrede.

Een heden ten dage nogal wijdverbreide opvatting, gebaseerd op vage kennis of herinneringen uit een voorbij verleden, lijkt slechts aan enkele uiterlijke, meer decoratieve dan substantiële aspecten van de diplomatie te willen denken, of aan bepaalde uitingen van laag allooi, gedegenereerde vormen van de werkelijke diplomatieke activiteit, die wellicht helaas in sommige perioden in het verleden hebben plaatsgevonden, maar thans door het geweten van hen die zich aan deze hoge taak wijden worden verfoeid en bovendien in de huidige omstandigheden niet meer zouden beantwoorden aan de eisen en doeleinden van deze taak. In onze dagen heeft namelijk de ontwikkeling van de machts- en belangenverhoudingen tot het resultaat geleid dat wat goed of slecht is voor een bepaald gedeelte van de internationale gemeenschap niet beschouwd kan worden als slecht of goed voor een ander gedeelte; en de wereld voelt zich gelukkig welhaast verplicht om samen te streven naar gemeenschappelijk voordeel, als ze tenminste gemeenschappelijk nadeel of zelfs een gemeenschappelijke catastrofe wil vermijden.

Het is waar dat zelfs onder de hoogste figuren die verantwoordelijk zijn voor het leven van de volkeren niet allen erin slagen deze fundamentele waarheid naar behoren te begrijpen of voor ogen te houden. En daarom gebeurt het niet zelden, vooral bij degenen die het sterkst zijn of denken te zijn, dat de een of de ander voor de verleiding bezwijkt om spanningen of conflictsituaties door macht of geweld te eigen gunste te beslechten.

Maar niet minder waar is het dat de realiteit zich op deze misrekeningen wreekt. Ongelukkigerwijs zijn zij die de prijs daarvoor moeten betalen meestal onschuldige slachtoffers, waaronder zich soms zelfs degenen bevinden die alles in het werk hadden gesteld om de voorvechters daarvan te weerhouden.
Het is dus temeer noodzakelijk dat tegenover redenen voor machtsgebruik - die vaak onrechtvaardig zijn en thans meer nog dan in het verleden onmachtig blijken om het algemeen welzijn te verzekeren en zelfs het welzijn van hen die er hun toevlucht toe hebben genomen - het is, zo herhalen wij, nodig dat tegenover deze redenen voor de macht de gemeenschap der volkeren de macht van de rede weet te stellen, van de gerechtigheid en van een rechtvaardig en edelmoedig begrip van de rechten en belangen van allen.

Het gaat hierbij om een inspanning van een draagwijdte, van een noblesse - van een moeite ook -, dat het gewicht ervan niet voldoende kan worden onderstreept en de ernst van de vereiste inzet niet kan worden verheeld: een inspanning waarbij de diplomatie die haar naam waardig is geroepen is een rol van de eerste orde te spelen.

Men heeft wel gemeend hen die de diplomatie hebben gedefinieerd als 'de kunst om vrede te maken' van een overdreven simplificering te kunnen beschuldigen. Inderdaad behoren vele andere activiteiten tot het terrein van de diplomatie. Want hoe zou men het werk van politici en denkers kunnen vergeten die het bewustzijn van de mensen en de publieke opinie van de volkeren mee helpen vormen? Men kan in elk geval niet ontkennen dat, zoals we zojuist zeiden, het streven naar vrede het centrale punt van de diplomatieke missie in het internationale leven vormt. En dat is niet zomaar een woord van lof, dat overigens vaak welverdiend zou zijn. Het is de erkenning van wat voor u precies wezen is van uw missie, uw doelstelling en uw programma: vrede maken.

Allereerst wil dat zeggen haar beschermen en verdedigen waar ze reeds bestaat: vervolgens haar opnieuw vestigen waar ze heeft opgehouden te bestaan. Dat veronderstelt dat men met veel wijsheid en eindeloos geduld ernaar zal streven om de problemen die staten en regeringen tegenover elkaar plaatsen naar recht en redelijkheid tot een oplossing brengen; dat men alles in het werk zal stellen om te voorkomen dat tegenstellingen zich verscherpen en botsende standpunten op een breuk uitlopen; dat men alle mogelijke formules voor een eervolle verzoening zal bestuderen en naar voren brengen; dat men de rechtvaardige verdediging van de belangen en de eer van de partij die men vertegenwoordigt zal weten te combineren met het niet minder rechtvaardige begrip en respect voor de motieven van de andere partij en de eisen van het algemeen belang. Dat is de specifieke - en zo edele - taak van de diplomatie!
Voor deze taak beschikt de diplomatie van de staten in de heilige Stoel over een bondgenoot en medewerker: een overtuigd bondgenoot telkens wanneer het gaat om de handhaving of hernieuwde vestiging van een rechtvaardige en duurzame vrede; een medewerker die, ondanks eigen specifieke aard en middelen, niet aarzelt zijn activiteiten in te passen in die van de staten en hun vertegenwoordigers, teneinde de vreedzame betrekkingen tussen de naties te bevorderen op basis van beginselen die een goed geordend gemeenschappelijk leven op internationaal vlak dienen te beheersen.
Wij hebben ons H. Paus Paulus VI - Toespraak
Tot het Corps Diplomatique (12 januari 1970)
als deze afgevraagd of de heilige Stoel zich 'terecht bedient van deze vorm van activiteit die de naam diplomatie draagt'. Toen zoals bij andere gelegenheden was ons antwoord bevestigend, op voorwaarde dat het om echte diplomatie gaat: die zich de vrede binnen ieder volk en in zijn betrekkingen tot de anderen ten doel stelt.

Deze vraag blijven wij onszelf stellen. En dat niet alleen om onze houding van verantwoordelijkheid te bevestigen tegenover de twijfels of protesten die naar voren kunnen worden gebracht. Maar veeleer om de wezenlijke motieven voor de deelname van de heilige Stoel aan het leven van de volkeren en de problemen van hun onderlinge betrekkingen steeds verder uit te diepen en te preciseren: een deelname die zich beslist niet wil beperken tot het uitspreken van algemene beginselen, maar die niet aarzelt om binnen de vormen die bij onze zedelijke en geestelijke zending passen in voorkomende gevallen tot concrete actie over te gaan. D weet evenzeer als wij dat deze houding niet van kritiek verstoken blijft. Sommigen zien er een soort 'compromittering' in die het aanzien van de heilige Stoel niet verhoogt, maar hem - en de Kerk met hem - integendeel juist zou verlagen tot de rang van 'mogendheid': een van de velen, zelfs wanneer de eigen bijzondere kenmerken worden behouden. Zonder dat de Kerk door deze houding volkomen van haar eigen zending wordt afgehouden, zou ze er bij de uitoefening daarvan toch minder vrij, minder 'geloofwaardig' door worden, omdat het een 'profetische' zending zou zijn die bestaat in het aankondigen en aanklagen, zonder bang te zijn om te breken met een veranderende en verouderde realiteit die weldra plaats moet maken voor een nieuwe wereld die nog in wording is. Wij sluiten ons niet af van deze stemmen die ons van verschillende kanten bereiken, en zijn evenmin gekwetst door de soms dringende en haast gebiedende toon. Wij zijn steeds bereid om met een ernstig en oprecht geweten opnieuw na te denken over onze houding en onze handelwijze, opdat ze voorzover dat van ons afhangt steeds beter beantwoorden aan de eisen van het apostolisch ambt en de oude en nieuwe behoeften van de tijd waarin wij leven.

Maar als wij ons niet vergissen houdt het verwijt dat hier de Kerk en de heilige Stoel gemaakt wordt in dat zij geen duidelijke en actieve houding aannemen om de ondergang van een verouderde en versleten geachte wereldorde te proclameren en te verhaasten, teneinde de snelle opbouw van een nieuwe orde in de plaats van de oude te bespoedigen, die men zich voorstelt met de messiaanse trekken van gerechtigheid, vrijheid en volkomen gelijkheid, zonder juridische of feitelijke discriminatie. Zolang de Kerk en de heilige Stoel initiatieven ondersteunen die gericht zijn op het pacificeren van situaties van spanning of op het lenigen van sociale nood, en zolang ze meehelpen aan de beëindiging van lopende conflicten of andere trachten te voorkomen, spelen zij - zo meent men - het 'behoud' in de kaart en verhinderen of vertragen ze de dag van de bevrijdende revolutie, die sommigen zonder enige aarzeling voorstellen als het schema dat beantwoordt aan de rijpheid van het ogenblik, aan de aspiraties van de volkeren - vooral de onderdrukte volkeren - en zelfs, zo voegt men eraan toe, aan de christelijke visie op de geschiedenis, waarvoor men dan op zoek gaat naar argumenten en bewijzen van zelfs theologische aard.
De eerste gedachte die ons tegenover dit soort kritiek voor de geest komt is dat bepaalde vormen van radicalisme niet alleen heel vaak onjuist en onrechtvaardig zijn door de onvolledige of eenzijdige manier waarop ze de realiteit en de verantwoordelijkheden die daaraan beantwoorden beoordelen, maar dat ze bovendien ook gevaarlijk zijn zowel door wat ze gerealiseerd zouden willen zien als door wat ze niet gerealiseerd zouden willen zien of waarvan ze de realisering met succes verhinderen. Wanneer men, met andere woorden, aanstuurt op radicale veranderingen - die heel vaak de grenzen van het toelaatbare verre van respecteren -, is het niet uitgesloten dat men in minder rechtvaardige en minder stabiele situaties terechtkomt dan die waarin men wijziging heeft willen aanbrengen. En vooral gebeurt het gemakkelijk dat men aan instinctieve opwellingen de energie en de moeite verspilt die met meer nut hadden kunnen worden aangewend voor misschien niet zulke snelle, en niet zulke opvallende, en waarschijnlijk ook niet zo volkomen bevredigende prestaties, maar die niettemin reële vooruitgang ten bate van de mensheid zouden betekenen.
Wat ons meer in overeenstemming lijkt met onze zending en met wat de Kerk kan en moet doen voor de wereld waarmee ze, hoewel ervan verschillend, toch dezelfde weg gaat, is het feit dat de Kerk weliswaar een profetische stem dient te zijn en als het ware de stem van het menselijk geweten; maar dat ze tevens de menselijke realiteit begrijpt in haar hardheid, haar tekorten en haar verzet om zich te gedragen conform de idealen die de mensheid moedig en vastberaden behoorde en behoort na te streven om haar waardigheid tegenover zichzelf te bewaren en te voldoen aan haar verantwoordelijkheid tegenover God en de geschiedenis.
In plaats van ons te beperken tot het betreuren of laken van tekortkomingen menen wij dat onze taak op dit terrein erin bestaat dat wij op de beginselen wijzen en ze verhelderen, de mensen aanmoedigen er in trouw uitvoering aan te geven, en onze steun niet te onthouden aan concrete pogingen om de problemen op te lossen die deze uitvoering met zich meebrengt: uiteraard niet voorzover het technische aspecten betreft die aan onze competentie ontsnappen, maar waar het gaat om morele en menselijke aspecten van rechtvaardigheid en billijkheid, die voor de eerste niet in belangrijkheid onderdoen.

Deze poging tot contact met de concrete problemen waar staatslieden en diplomaten dagelijks mee worden geconfronteerd helpt ons om ons steeds beter rekenschap te geven van de complexiteit van de kwesties en moeilijkheden die moeten worden overwonnen. Dat brengt ons er bepaald niet toe om te verontschuldigen wat niet te verontschuldigen is - machtsmisbruik, excessen bij onderdrukking, gebruik van folteringen, ontoelaatbare economische pressie, etc ... - of ons gemakkelijk neer te leggen bij minimale of onvoldoende resultaten; maar het brengt ons ertoe een houding aan te nemen die gewetensvolle en verantwoordelijke oordeelsvorming en edelmoedige samenwerking mogelijk maakt.

Dit alles maakt u, excellenties en mijne heren, duidelijk wat onzerzijds en van de zijde van de heilige Stoel de geest is waarop uzelf en uw regeringen, uw volken en hun gemeenschappen, alsook de internationale gemeenschap mogen rekenen: een geest van vriendschap die, met uitsluiting van een al te grote mate van toegevendheid, er steeds op gericht is om de verantwoordelijke leiders aan te moedigen en te helpen bij de rechtvaardige, edele en moeilijke ondernemingen die het leven van hun volken en de volkeren familie aan hen voorleggen als uitdaging aan hun wijsheid en hun goede wil.

En omdat onze woorden vooral gericht zijn op wat meer in het bijzonder uw missie uitmaakt, wij doelen op de onderlinge betrekkingen tussen de volkeren, willen wij u zeggen dat wij juist in deze geest van vriendschap de problemen van de vrede volgen. En wij vatten haar niet alleen op in de eerste en meer negatieve omschrijving van afwezigheid van conflict, maar in haar wijdere en vollediger betekenis van goede en vriendschappelijke betrekkingen.

De oproep tot vrede komt ons herhaaldelijk over de lippen, met de aansporing haar na te streven en de uitnodiging te bidden om haar te verkrijgen. Maar wij bedoelen niet te zeggen dat hiermee onze interesse voor zo'n grote en fundamentele zaak ophoudt. U bent getuige van onze hardnekkige inspanningen, u die op dit terrein in zekere zin tot de meest naaste medewerkers van de heilige Stoel behoort. Want inderdaad wendt hij zich meestal tot u - zoals hij zich ook tot zijn eigen vertegenwoordigers in uw landen wendt - om informaties in te winnen, feiten en meningen bijeen te brengen en met elkaar te confronteren, situaties te bespreken en soms overleg met u te plegen in verband met vredesinitiatieven .
U kent bijvoorbeeld de belangstelling die de heilige Stoel bij voortduring aan de dag legt voor een van de kernproblemen die ten grondslag liggen aan een veilige en duurzame vrede: de vestiging van politieke en economische betrekkingen op basis van gelijkheid tussen de landen met een hoge graad van ontwikkeling en landen die zich ijverig, maar vaak ten koste van grote offers inspannen om dat niveau te bereiken. Dit vraagstuk is herhaaldelijk onderwerp geweest van door ons gedane uitspraken, in het bijzonder in de encycliek 'H. Paus Paulus VI - Encycliek
Populorum Progressio
Over de ontwikkeling van de volken
(26 maart 1967)
', en het blijft een van de punten die de zeer speciale aandacht van de heilige Stoel behouden. Wij hebben in dit verband dan ook met de meest levendige interesse de recente contacten gevolgd tussen de Europese gemeenschap van de negen en de Afrikaanse landen die de uitwerking beoogden van een mogelijk model voor organische samenwerking of economische, technische en commerciële associatie. Zowel door aantal en kwaliteit van de deelnemende landen als door omvang en belang van de gestelde doeleinden kan deze onderhandeling werkelijk een test vormen voor wat de wijsheid en moed van de regeringen, hun vermogen tot visie en politieke verbeeldingskracht en tenslotte hun geest van samenwerking vermogen om te beantwoorden aan objectieve eisen die voor de toekomst van de menselijke familie van kapitaal belang zijn.
We kunnen niet nalaten te wijzen op het in hoge mate morele karakter van dit soort initiatieven en te wensen dat ze in aantal mogen toenemen. Dat de leiders zich door de moeilijkheden niet laten ontmoedigen! Mogen zij de motieven voor voorzichtigheid weten te harmoniëren met de motieven voor edelmoedigheid, zonder te vergeten dat heden ten dage meer nog dan in het verleden de algemene vooruitgang uiteindelijk de voorwaarde is voor het ware en stabiele welzijn van ieder land afzonderlijk.
Zoals u ziet kan de heilige Stoel zich gelukkig prijzen aanwezig te zijn bij het overleg op internationaal niveau. Hij is dat dank zij het netwerk van betrekkingen dat het corps diplomatique hier ter plaatse vertegenwoordigt en onderhoudt, betrekkingen die eveneens worden onderhouden en bevorderd door het corps van onze vertegenwoordigers in uw verschillende landen. Laat ons u tot besluit zeggen waartoe deze aanwezigheid van de heilige Stoel in het internationale leven dient. Ze is er allereerst op gericht om eervolle en vreedzame contacten tussen de volkeren te bevorderen op regeringsniveau; en vervolgens om de methode van de menselijke en beleefde dialoog aan te bevelen en die zo mogelijk in de plaats te stellen van de vernietigende en moordende confrontatie met de wapens en het wankel evenwicht van onverzoenlijke belangen die steeds weer met het stellen van eenzijdige aanspraken naar boven kunnen komen; tenslotte is deze aanwezigheid van de heilige Stoel erop gericht om niet alleen een bestand te creëren in de conflicten tussen de naties, maar ook de zin voor vrede en de eer en de stabiliteit van de vrede, te dien einde dat de onoverbrugbare etnische, geografische, economische en culturele verschillen geen oorzaken van rivaliteit en broederstrijd meer vormen, maar integendeel motieven worden voor broederlijke eensgezindheid en actieve wederzijdse aanvulling, in een uniek en onovertroffen eerbetoon aan de gerechtigheid. Met deze woorden verwijzen wij - vrij duidelijk, naar het ons toeschijnt naar de situaties die op de drempel van dit nieuwe jaar pathologische gevallen van eendracht tussen de mensen lijken, gevallen die in aanmerking komen voor de wijze, volhardende, en - voegen we dit eraan toe - christelijke therapie van een waarachtige en dynamische vrede.
Wanneer deze smartelijke abcessen ondanks de vele inspanningen die het afgelopen jaar zijn aangewend blijven bestaan, wanneer ze nog voortdurend de bezorgde aandacht van de gehele wereld in beslag nemen, hoeveel temeer dan de uwe, mijne heren: zijn de diplomaten niet in zekere zin de heelmeesters van het sociale lichaam indien het besmet of bedreigd wordt door het virus van tweedracht en oorlog?
Maar wij weten allen dat goede wil en menselijke middelen niet toereikend zijn. Opdat de actie van u, diplomaten en staatslieden van de gehele wereld in het jaar dat nu aanvangt effectief moge zijn en met succes mag worden bekroond, zullen wij daarover en over de bescheiden, maar edelmoedig aangeboden hulp die de heilige Stoel u altijd gaarne zal willen verlenen, de overvloedige zegen afsmeken van de almachtige God.

Document

Naam: DOELSTELLING VAN DE DIPLOMATIE IS OM VREDE TE MAKEN
Tot het Corps Diplomatique
Soort: H. Paus Paulus VI - Toespraak
Auteur: H. Paus Paulus VI
Datum: 12 januari 1974
Copyrights: © 1974, Archief van Kerken, 29e jrg, nr. 7, p. 288-294
Alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test