• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET GEBED IN HET TWEEDE DEEL VAN HET BOEK "OPENBARINGEN" (OPENB. 4, 1-22, 21)
Aula Paulus VI - Vaticaanstad

Dierbare broeders en zusters,

Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Het gebed in het eerste deel van het boek Openbaringen (Openb. 1, 4-3, 22)
Aula Paulus VI - Vaticaanstad
(5 september 2012)
; vandaag gaan we over naar het tweede deel van het boek en terwijl het gebed in het eerste deel gericht is op het innerlijk van het kerkelijk leven, richt de aandacht zich in het tweede deel tot de hele wereld; de Kerk gaat haar weg namelijk in de geschiedenis, zij maakt er volgens Gods plan deel van uit. Als we Johannes’ boodschap, die de lezer presenteert, beluisteren, ontdekken de toehoorders hun plicht om als “priesters van God en van Christus” (Openb. 20, 6) Vgl. Openb. 1, 5 Vgl. Openb. 5, 10 mee te werken aan de ontwikkeling van het Rijk Gods en stellen zij zich voor de wereld der mensen open. En we zien hier twee levenswijzen naar boven komen die onderling dialectisch in verhouding staan: wij zouden de eerste het “systeem van Christus” kunnen noemen en de toehoorders zijn blij daar bij te horen, en de tweede het “aardse systeem dat tegen het Koninkrijk en het verbond is, en actief is onder invloed van de Boze” die door de mensen te misleiden, een wereld wil tot stand brengen die tegengesteld is aan de wereld die Christus en God willen Vgl. Pauselijke Bijbelcommissie, Bijbelse wortels van het christelijk handelen., Bijbel en moraal (11 mei 2008), 70. De toehoorders moeten de geschiedenis waaraan zij deelhebben, dus diepgaand weten te lezen, de gebeurtenissen gelovig leren onderscheiden om door hun handelen mee te werken aan de ontwikkeling van het Rijk Gods. Deze lezing en onderscheiding, en ook dit optreden, zijn aan gebed verbonden.

Vooreerst worden de toehoorders, na de aandringende oproep van Christus die in het eerste deel van de Apocalyps zeven keer zegt: “Wie oren heeft, die hore wat de Geest zegt tot de kerken” (Openb. 2, 7.11.17.29)(Openb. 3, 6.13.22), uitgenodigd naar de hemel op te stijgen om de werkelijkheid met Gods ogen te zien; en daar vinden we drie symbolen terug, drie referentiepunten van waaruit wij de geschiedenis kunnen lezen: Gods troon, het Lam en het boek Vgl. Openb. 4, 1&ndash .

Het eerste symbool is de troon waarop een personage is gezeten dat Johannes niet beschrijft, omdat het iedere menselijke voorstelling te boven gaat; hij kan slechts zinspelen op het gevoel van schoonheid en vreugde dat hij ervaart wanneer hij zich voor dat personage bevindt. Dit mysterieuze personage is God, de almachtige God die niet in Zijn hemel opgesloten bleef maar de mens nabij is gekomen, door met hem een verbond te sluiten; God die Zijn stem in de geschiedenis laat horen op een mysterieuze doch reële manier, een stem, gesymboliseerd door bliksem en donder. Verschillende elementen verschijnen rond de troon van God, zoals de vierentwintig oudsten en de vier levende wezens die zonder ophouden glorie geven aan de enige Heer van de geschiedenis.
Het eerste symbool is dus de troon. Het tweede is het boek, dat Gods plan met de gebeurtenissen en de mensen bevat; het boek wordt door zeven zegels hermetisch gesloten en niemand is in staat het te lezen. Ten overstaan van dit onvermogen van de mens om Gods plan te doorvorsen, voelt Johannes diepe droefheid, zodanig dat hij begint te wenen. Doch er is een remedie voor de ontsteltenis van de mens ten overstaan van het mysterie van de geschiedenis: iemand is in staat het boek te openen en het te verklaren.

Dan verschijnt het derde symbool: Christus, het Lam dat door het kruisoffer geslacht werd, maar rechtop staat, teken van Zijn verrijzenis. En het is juist het Lam, de gestorven en verrezen Christus, die geleidelijk de zegels opent en Gods plan, de diepe zin van de geschiedenis onthult.

Wat zeggen deze symbolen? Zij herinneren ons aan de weg die moet gevolgd worden om de feiten van de geschiedenis en van ons leven te kunnen lezen. Door de blik naar Gods hemel te verheffen, in constante verbondenheid met Christus, door ons hart en onze geest voor Hem te openen in het persoonlijk en gemeenschappelijk gebed, leren wij de dingen op een nieuwe manier te zien en er de ware zin van te vatten. Het gebed is als een open venster dat ons toelaat de blik op God gericht te houden, niet alleen om het doel voor ogen te houden waarop wij gericht zijn, maar ook opdat Gods wil onze weg op aarde zou verlichten en ons zou helpen hem intens en door ons engagement te beleven.
Hoe leidt de Heer de christengemeenschap naar een diepere lezing van de geschiedenis? Vooreerst door haar uit te nodigen het heden waarin we leven, realistisch onder ogen te zien. Het Lam opent dan de vier eerste zegels van het boek en de Kerk ziet de wereld waarin zij opgenomen is, een wereld die verschillende negatieve elementen bevat. Er is het kwaad dat de mens doet, zoals geweld, dat ontstaat uit het verlangen om te bezitten; de anderen domineren, zodat de mens gaat doden (tweede zegel); of onrechtvaardigheid, omdat de mensen de wetten niet respecteren die zij zichzelf gegeven hebben (derde zegel). Daarbij komt het kwaad dat de mens moet ondergaan, zoals dood, honger en ziekte (vierde zegel). Tegenover die realiteit, dikwijls dramatisch, wordt de kerkgemeenschap uitgenodigd nooit de hoop te verliezen, vast te geloven dat de schijnbare almacht van de Boze zich tegen de echte almacht stoot, Gods almacht. En het eerste zegel dat het Lam opent bevat juist deze boodschap. Johannes vertelt dit: “Ik zag toe. En zie: een wit paard. En die er op zat, had een boog, en hem werd een kroon gegeven; als overwinnaar trok hij uit, om nog meer te overwinnen” (Openb. 6, 2). Gods kracht is in de mensengeschiedenis gekomen, de God die niet alleen bekwaam is het kwaad in te schatten, maar zelfs te overwinnen; de witte kleur herinnert aan de verrijzenis; God is zo nabij gekomen dat hij uit het duister van de dood neerdaalt om ze te verlichten met de schittering van Zijn Goddelijk leven; Hij heeft het kwaad van de wereld op zich genomen om het te zuiveren met het vuur van Zijn liefde.
Hoe in deze christelijke lezing van de werkelijkheid vordering maken? De Apocalyps zegt ons dat het gebed in ieder van ons en in onze gemeenschappen, deze visie van licht en diepe hoop voedt: het nodigt uit ons door het kwaad niet te laten overwinnen, maar het kwaad te overwinnen met het goede, naar de gekruisigde en verrezen Christus te kijken die ons met Zijn overwinning associeert. De Kerk leeft in de geschiedenis, zij plooit niet terug op zichzelf maar gaat moedig haar weg doorheen moeilijkheden en lijden, en verklaart met klem dat het kwaad uiteindelijk niet de overwinnaar is van het goede, dat het duister Gods schittering niet dof maakt. Dat is voor ons een belangrijk punt: als christenen kunnen wij niet pessimistisch zijn; wij weten goed dat wij op de weg van ons leven dikwijls geweld, leugen , haat, vervolging tegenkomen, maar dat ontmoedigt ons niet. En vooral, de Kerk leert ons Gods tekens te zien, Zijn aanwezigheid en werking, en zelf licht te zijn dat het goede weerspiegelt en hoop verspreidt, licht dat erop wijst dat aan God de overwinning behoort.
Dit perspectief zet ons aan tot God en het Lam een lied van dank en lof te verheffen: de vierentwintig oudsten zingen samen het “nieuwe lied” dat het werk bezingt van Christus het Lam, die het universum nieuw maakt Vgl. Openb. 21, 5 . Maar die vernieuwing is vooreerst een gave die moet gevraagd worden. En we vinden hier een ander element dat het gebed moet kenmerken: de Heer met aandrang smeken dat Zijn Rijk zou komen, dat de mens een volgzaam hart heeft voor Gods heerschappij, dat Zijn wil ons leven en dat van de wereld zou oriënteren. In de visie van de Apocalyps, wordt dit smeekgebed voorgesteld door een belangrijk detail: “de vierentwintig oudsten” en “de vier levende wezens” houden met de harp die hun lied begeleidt, “gouden schalen vol reukwerk” in de hand (Openb. 5, 8a) dat, zoals ons wordt uitgelegd, “de gebeden der heiligen” zijn (Openb. 5, 8b), dat wil zeggen van hen die reeds bij God zijn, maar ook van ons allen die op weg zijn. En wij zien dat een engel, voor de troon van God, “een gouden wierookpan” in de hand houdt waarin hij voortdurend wierookkorrels legt, dat wil zeggen onze gebeden, waarvan de aangename geur aangeboden wordt met de gebeden, die opstijgen tot bij God Vgl. Openb. 8, 1-4 . Het is een symbool dat ons zegt dat al onze gebeden, met hun beperkingen, moeizaamheid, armzaligheid, dorheid, de mogelijke onvolmaaktheden, als gezuiverd worden en Gods hart bereiken. Wij moeten dus de zekerheid hebben dat er geen overbodige of nutteloze gebeden bestaan; geen enkel gebed is verloren. En het krijgt antwoord, ook al is het soms mysterieus, omdat God liefde is en oneindige barmhartigheid. De engel, schrijft Johannes, “nam de wierookpan, vulde ze met het vuur van het altaar, en wierp dit op de aarde. En donder brak los en geraas, bliksem en aardbeving” (Openb. 8, 5). Dit beeld betekent dat God niet ongevoelig is voor onze smeekbeden, Hij treedt op door Zijn macht te laten voelen en Zijn stem op aarde te laten horen, Hij laat het systeem van de Boze beven en gooit het omver. Men heeft tegenover het kwaad dikwijls het gevoel dat men niets kan doen, maar ons gebed is juist het eerste antwoord, en het meest doeltreffende dat wij kunnen geven en dat ons dagelijks engagement om het goede te doen, versterkt. Gods macht maakt onze zwakheid vruchtbaar. Vgl. Rom. 8, 26-27
Ik zou willen besluiten met de slotdialoog Vgl. Openb. 22, 6-21 . Jezus herhaalt meermaals: “Zie, ik kom spoedig!”. Deze uitspraak wijst niet alleen op het toekomstige perspectief van het einde der tijden, maar ook op het heden: Jezus komt, Hij maakt Zijn verblijf in wie in Hem gelooft en Hem aanvaardt. De toehoorders, door de Heilige Geest geleid, spreken opnieuw tot Jezus hun verzoek uit dat Hij steeds meer nabij zou komen: “Kom!” (Openb. 22, 17a). Zij zijn is als “de bruid” (Openb. 22, 17) die vurig naar de volheid van de huwelijksverbintenis verlangt. De aanroeping wordt drie keer herhaald: “Amen! Heer Jezus, kom!” (Openb. 22, 20b); en de lezer eindigt met een woord dat de betekenis van deze aanwezigheid te kennen geeft: “De genade van de Heer Jezus zij met u allen” (Openb. 22, 21).

Ondanks de complexiteit van de symbolen, engageert de Apocalyps ons in een gebed van een grote rijkdom, waarin ook wij luisteren, loven, danken, de Heer schouwen en Hem vergiffenis vragen. De structuur ervan is zoals een groot liturgisch gemeenschappelijk gebed, een sterke oproep om de buitengewone transformerende capaciteit van de Eucharistie te herontdekken; ik zou u in het bijzonder en met aandrang willen uitnodigen trouw te zijn aan de zondagsmis op de dag des Heren, de zondag, het ware midden van de week. De rijkdom van het gebed van de Apocalyps doet ons denken aan een diamant, met vele verblindende facetten waarvan het waardevolle karakter in de zuiverheid ligt van de unieke kern. De suggestieve gebedsvormen die wij in de Apocalyps ontmoeten, laten Christus’ kostbare, unieke en onuitsprekelijke aanwezigheid schitteren.


Na afloop van de catechese - Vredesappèl voor Libanon en het Midden-Oosten

{in het Frans}

Beste pelgrims, over twee dagen omstreeks dit uur, vlieg ik naar Libanon. Ik kijk uit naar deze apostolische reis. Het geeft me de mogelijkheid de vele geledingen van de Libanese samenleving te ontmoeten: burgerlijke en kerkelijke functionarissen, katholieke gelovigen van de diverse riten, en andere Christenen, moslims en Druzen uit de regio. Ik dank de Heer voor deze rijkdom die niet kan blijven voortbestaan indien zij niet leven in een permanente vrede en verzoening. Dit is de reden waarom ik alle Christenen in het Midden-Oosten oproep, of het nu de inheemsen zijn of de nieuwkomers, om hun rol als bouwers van vrede en verzoening te spelen. Ik vraag God om het geloof van de Christenen in Libanon en het Midden-Oosten te versterken, en ze te vervullen met hoop. Ik dank God voor hun aanwezigheid en moedig hen en de gehele Kerk aan solidair te zijn, zodat ze van Christus kunnen blijven getuigen in deze gezegende landen door te streven naar gemeenschap in eenheid. Ik dank God voor alle mensen en alle instellingen, op vele manieren, hulp geven in deze richting. De geschiedenis van het Midden-Oosten leert ons de belangrijke en cruciale rol die de verschillende christelijke gemeenschappen spelen in de interreligieuze en interculturele dialoog. Vraag God om dit deel van de wereld de vrede te geven die zij zoeken, met respect voor de legitieme verschillen. God zegene Libanon en het Midden-Oosten! God zegene u allen!

Document

Naam: HET GEBED IN HET TWEEDE DEEL VAN HET BOEK "OPENBARINGEN" (OPENB. 4, 1-22, 21)
Aula Paulus VI - Vaticaanstad
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 12 september 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam, test