• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

HET GEBED IN HET EERSTE DEEL VAN HET BOEK "OPENBARINGEN" (OPENB. 1, 4-3, 22)
Aula Paulus VI - Vaticaanstad

Video

Dierbare broeders en zusters,

Na de onderbreking van de vakantie, hernemen wij de audiënties vandaag in het Vaticaan en gaan wij samen door met deze “gebedsschool” in de woensdagcatechese.

Ik zou vandaag willen spreken over het gebed in het boek van de Apocalyps (Openbaring) dat, zoals u weet, het laatste boek is van het Nieuwe Testament. Een moeilijk boek, maar van een grote rijkdom. Het brengt ons in contact met het levendig en trillend gebed van de christengemeente, die samen is op “de dag des Heren” (Openb. 1, 10): dat is namelijk de ondergrond waarop de tekst zich ontplooit.

Een lezer stelt aan de toehoorders een boodschap voor die de Heer aan de evangelist Johannes heeft toevertrouwd. De lezer en de toehoorders zijn bij wijze van spreken, de twee hoofdrolspelers bij de ontvouwing van het boek. Van bij het begin wordt een vreugdevolle wens tot hen gericht: “Zalig hij, die de woorden voorleest der Profetie; ook zij die ze horen” (Openb. 1, 3). Uit hun constante dialoog ontspringt een symfonie van gebed die zich tot aan het slot ontwikkelt in een grote verscheidenheid aan vormen. Als we de lezer beluisteren die de boodschap voorleest, als we de reacties van de toehoorders beluisteren en waarnemen, neigt hun gebed het onze te worden.

Eerste fase

Het eerste deel van de Apocalyps (Openb. 1, 4 &ndash) toont in de houding van de biddende toehoorders drie opeenvolgende fasen. De eerste (Openb. 1, 4-8) bestaat uit een dialoog die, en dat is uniek in het Nieuwe Testament, verloopt tussen de pas verzamelde toehoorders en de lezer die deze zegenwens tot hen richt: “Genade zij u en vrede” (Openb. 1, 4). De lezer gaat verder en benadrukt de oorsprong van deze wens: hij komt van de Drie-eenheid, van de Vader, de Heilige Geest en Jezus Christus, die zich samen engageren om het scheppings- en heilsplan voor de mensheid te doen vorderen.

De toehoorders luisteren en wanneer zij de naam horen van Jezus Christus, is dat voor hen als een opflakkering van vreugde en zij beantwoorden dat met enthousiasme door dit lofgebed tot de hemel te verheffen: “Aan Hem, die ons bemint, die ons door zijn Bloed van de zonde verlost heeft, die ons ook tot een koningschap heeft gemaakt, tot priesters voor zijn God en zijn Vader: aan Hem zij de glorie en de macht in de eeuwen der eeuwen. Amen!” (Openb. 1, 5-6). De toehoorders die omhuld zijn van Gods liefde, voelen zich bevrijd van de banden der zonde en roepen zich uit tot het “koningschap” van Jezus Christus omdat ze Hem helemaal toebehoren. Zij erkennen de grote zending die hun door het doopsel werd toevertrouwd om Gods aanwezigheid in de wereld te brengen. Zij besluiten hun lof met opnieuw rechtstreeks naar Jezus te kijken en met toenemend enthousiasme erkennen zij Zijn “glorie en macht” om de mensheid te redden. Het “amen” aan het slot besluit de lofzang aan Christus. Deze vier eerste verzen bevatten reeds een grote rijkdom aan aanwijzingen voor ons; zij zeggen ons dat gebed vooreerst een luisteren moet zijn naar God die tot ons spreekt.

Onder vele woorden bedolven, zijn wij weinig gewend om te luisteren, en vooral een houding aan te nemen van innerlijke en uitwendige stilte om aandachtig te zijn voor wat God ons wil zeggen. Deze verzen leren ons bovendien dat ons gebed, dat dikwijls alleen uit vragen bestaat, in tegendeel vooreerst lof tot God moet zijn voor Zijn liefde, voor de gave van Jezus Christus die ons kracht, hoop en heil gebracht heeft.

Een andere toespraak van de lezer herinnert de toehoorders , die gegrepen zijn door de liefde voor Christus, aan hun engagement om Zijn aanwezigheid in hun leven toe te laten. Hij zegt namelijk: “Zie, Hij komt met de wolken; en alle oog zal Hem zien, zelfs zij die Hem doorstoken hebben; en alle geslachten der aarde zullen zich op de borst kloppen om Hem” (Openb. 1, 7, a). Na in een “wolk”, symbool van transcendentie, ten hemel gestegen te zijn, zal Jezus Christus op dezelfde wijze terugkomen als Hij ten hemel is gestegen Vgl. Hand. 1, 11. b . Dan zullen alle volken Hem erkennen en volgens de heilige Johannes in het vierde Evangelie: “Ze zullen opzien tot Hem, dien ze hebben doorboord” (Joh. 19, 37). Zij zullen aan hun zonden denken, oorzaak van Zijn kruisiging en zoals degenen die er rechtstreeks op Calvarië bij betrokken waren, zullen zij zich op de borst slaan Vgl. Lc. 23, 48 en Hem vergiffenis vragen, om Hem in hun leven te volgen en zich zo op de volle vereniging met Hem voor te bereiden bij Zijn uiteindelijke wederkomst.

De toehoorders denken over deze boodschap na en zeggen: “Ja! Amen!” (Openb. 1, 7, b). Door hun “ja”, zeggen zij volledig te aanvaarden wat hun werd meegedeeld en vragen zij dat het zich zou realiseren. Het is het gebed van de gemeente die mediteert over Gods liefde die zich op een uiterste manier op het kruis heeft getoond en die vraagt in overeenstemming daarmee te leven als leerlingen van Christus. En er is het antwoord van God: “Ik ben de Alfa en Omega, zegt God de Heer, Hij die is, en die was, en die komt: de Almachtige” (Openb. 1, 8).

God die zich openbaart als het begin en einde van de geschiedenis, aanvaardt de vraag van de gemeente en neemt ze ter harte. Hij was, Hij is en Hij zal door Zijn liefde aanwezig en werkzaam zijn in wat de mensen overkomt in het heden, in de toekomst, zoals in het verleden, tot aan het einde. Dat is Gods belofte. En we vinden hier een ander belangrijk element: constant gebed wekt in ons de zin voor de aanwezigheid van de Heer in ons leven en de geschiedenis; een aanwezigheid die ons ondersteunt, ons leidt en grote hoop geeft zelfs midden in het duister van bepaalde menselijke gebeurtenissen; bovendien is elk gebed, zelfs in de meest radicale eenzaamheid, nooit een isolement noch steriel, maar het levenssap dat het christelijk leven voedt tot steeds meer en samenhangender engagement.

Tweede fase

De tweede fase van het gebed van de gemeente (Openb. 1, 9-22) verdiept nog meer de relatie met Jezus Christus: de Heer toont zich, Hij spreekt en treedt op, en de gemeente die Hem steeds meer nabij is, luistert, reageert en ontvangt. In de boodschap die de lezer brengt, vertelt de heilige Johannes een persoonlijke ervaring waarin hij Christus heeft ontmoet: hij bevindt zich op het eiland Patmos “omwille van Gods woord en de getuigenis van Jezus” (Openb. 1, 9) en het is “de dag des Heren” (Openb. 1, 10, a), de zondag, dag waarop de verrijzenis gevierd wordt. De heilige Johannes krijgt een extase Vgl. Openb. 1, 10. a . De heilige Geest maakt zich van hem meester en maakt hem nieuw door zijn bekwaamheid te verwijden om Jezus te ontvangen die hem uitnodigt te schrijven. Het gebed van de luisterende toehoorders krijgt stilaan een contemplatieve houding, op het ritme van de werkwoorden “zien” en “kijken”, dat wil zeggen dat zij zien wat de lezer hen voorstelt, dat zij het verinnerlijken en zich eigen maken.

Johannes hoort “een machtige stem als van een bazuin” (Openb. 1, 10b): de stem legt hem op een boodschap te sturen “aan de zeven kerken” (Openb. 1, 11) in Klein Azië en via hen naar alle Kerken van alle tijden, in vereniging met hun herders. De uitdrukking “een stem ... als van een bazuin” in het Boek Exodus (Ex. 20, 18) herinnert aan de manifestatie van God aan Mozes op de berg Sinaï en wijst op de stem van God die vanuit den hoge in de hemel spreekt, vanuit Zijn transcendentie. Hier wordt zij toegeschreven aan de verrezen Jezus Christus die vanuit de glorie van de Vader, met Gods stem tot de biddende gemeente spreekt. Zich omkerend “om naar de stem te zien” (Openb. 1, 12), bemerkt Johannes “zeven gouden luchters; en te midden der luchters iemand, een Mensenzoon gelijk (Openb. 1, 12-13), bij Johannes een zeer vertrouwde naam die naar Jezus verwijst.

De gouden luchters met brandende kaarsen verwijzen naar de Kerk van alle tijden, in gebedshouding tijdens de liturgie: de verrezen Jezus, de “Mensenzoon”, bevindt zich in het midden ervan en gekleed als de hogepriester uit het Oude Testament, vervult hij de priesterlijke functie van middelaar bij de Vader. In de symbolische boodschap van Johannes volgt een lichtende manifestatie van de verrezen Christus, met karakteristieken die eigen zijn aan God en die men terugvindt in het Oude Testament. Er wordt gesproken over witte haren “als sneeuwwitte wol” (Openb. 1, 14), symbool van Gods eeuwigheid Vgl. Deut. 7, 9 en van de verrijzenis. Een tweede symbool is dat van het vuur dat in het Oude Testament dikwijls naar God verwijst, meer bepaald naar twee eigenschappen van Hem. De eerste is de jaloerse intensiteit van Zijn liefde die Zijn verbond met de mens bezielt Vgl. Deut. 4, 24 . Diezelfde brandende intensiteit van de liefde leest men in de blik van de verrezen Jezus: “zijn ogen waren als een vuurvlam” (Openb. 1, 15, a). De tweede is Zijn onweerstaanbare capaciteit om als “een verslindend vuur” het kwaad te overwinnen (Deut. 9, 3). Zo hebben zelfs Jezus’ “voeten” die op weg zijn om het kwaad het hoofd te bieden en te vernietigen, de gloed van “glanzend koper” (Openb. 1, 15, b). Vervolgens heeft de stem van Jezus Christus, “als het geruis van vele wateren” (Openb. 1, 15, c), de indrukwekkende schittering van de God van Israël die opgaat naar Jeruzalem, waarover de profeet Ezechiël spreekt Vgl. Ez. 43, 2 . Dan volgen drie andere symbolische elementen die tonen wat de verrezen Jezus voor Zijn Kerk doet: Hij houdt haar goed vast met de rechterhand; het is een zeer belangrijk beeld: Jezus houdt de Kerk bij de hand, Hij spreekt tot haar met de doordringende kracht van een scherp zwaard en toont haar de schittering van Zijn Godheid: “Zijn aanblik was schitterend, als de zon in haar kracht” (Openb. 1, 16). Johannes is zo in beslag genomen door deze ongelooflijke ervaring van de Verrezene, dat hij zich onwel voelt en als dood neervalt.

Na de ervaring van deze openbaring, zag de apostel de Heer Jezus die met hem spreekt, hem geruststelt, hem de hand op het hoofd legt, Zijn identiteit als verrezen Gekruisigde openbaart en de taak toevertrouwt een boodschap aan de Kerken over te maken (Openb. 1, 17-18). Hij is heel mooi, die God voor wie hij in zwijm valt en als dood neervalt. Hij is de vriend van zijn leven, die hem de hand op het hoofd legt.

En het zal ook zo zijn voor ons: wij zijn Jezus’ vrienden. En de openbaring van de verrezen God, van de verrezen Christus, zal niet schrikwekkend zijn, maar de ontmoeting met de vriend. De gemeente zag met Johannes dit bijzonder moment van licht met de Heer, maar verbonden met de ervaring van de dagelijkse ontmoeting met Hem, waarbij zij de rijkdom voorvoelt van dit contact met Hem dat heel de ruimte van haar bestaan vervult.

Derde fase

In de derde en laatste fase van het eerste deel van de Apocalyps (Openb. 2-3), geeft de lezer aan de toehoorders een boodschap in zeven delen, waarin Jezus in de eerste persoon spreekt. Gericht tot de zeven Kerken in Klein Azië rond Efeze, gaat Jezus’ redevoering uit van de situatie die elk van hen eigen is, om zich vervolgens uit te breiden tot de Kerken van alle tijden. Jezus komt onmiddellijk tot de kern van de zaak aangaande ieders situatie, door hun schaduw- en lichtzijden te belichten en een dringend verzoek tot hen te richten: “bekeer u” (Openb. 2, 5.16) (Openb. 3, 19, c); “houd vast wat ge hebt” (Openb. 3, 11); “doe de werken van weleer” (Openb. 2, 5); “doe dus uw best en bekeer u” (Openb. 3, 19, b) ... Dit woord van Jezus wordt, als men goed luistert, onmiddellijk doeltreffend: de Kerk in gebed wordt getransformeerd door het woord van de Heer te aanvaarden. Alle Kerken moeten een houding aannemen van een aandachtig luisteren naar de Heer, door zich voor de Geest open te stellen zoals Jezus het met aandrang vraagt wanneer Hij dit gebod zeven keer herhaalt: “Wie oren heeft, die hore wat de Geest zegt tot de kerken: Wie overwint, zal Ik doen eten van de boom des levens, die staat in het Paradijs van God” (Openb. 2, 7.11.17.29)(Openb. 3, 6.13.22). Terwijl de toehoorders naar de boodschap luisteren, worden zij aangespoord tot berouw, bekering, volharding, tot groei in de liefde; zij vinden oriëntatie voor hun weg.

Dierbare vrienden, de Apocalyps toont ons een gemeenschap die bijeen is in gebed, omdat wij juist in het gebed, Jezus’ aanwezigheid steeds meer met en in ons waarnemen. Hoe meer en hoe beter wij bidden, met volharding en innigheid, des te meer worden wij aan Hem gelijkvormig en treedt Hij werkelijk in ons leven binnen om het te leiden terwijl Hij ons Zijn vreugde en vrede geeft. En hoe meer wij kennen, hoe meer wij Jezus beminnen en volgen, des te meer voelen wij de behoefte stil te houden om Hem in het gebed te vinden, wat ons sereniteit, hoop en kracht voor ons leven geeft.

Document

Naam: HET GEBED IN HET EERSTE DEEL VAN HET BOEK "OPENBARINGEN" (OPENB. 1, 4-3, 22)
Aula Paulus VI - Vaticaanstad
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 5 september 2012
Copyrights: © 2012, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 6 augustus 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2022, Stg. InterKerk, Schiedam, test