Paus Benedictus XVI - 18 december 2011
“Ik was in de gevangenis en gij hebt Mij bezocht” (Mt. 25, 36). De woorden van het laatste oordeel, weergegeven door de evangelist Matteüs, drukken de zin van mijn bezoek ten volle uit. Overal waar iemand is die honger lijdt, een vreemdeling, een zieke, gevangene, daar is Christus zelf die ons bezoek en onze hulp verwacht. Dat is de belangrijkste reden waarom ik gelukkig ben hier te zijn om te bidden, in gesprek te treden en te luisteren. De Kerk heeft onder haar lichamelijke werken van barmhartigheid het bezoek aan gevangenen altijd erkend Vgl. Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2447. En dit bezoek is volledig wanneer een gevangene aanvaard wordt “door hem plaats te geven in onze tijd, ons huis, onze vriendschap, onze wetgeving, onze steden vgl. CEI, Evangelisatie en getuigenis van de naastenliefde, 39. Ik zou trouwens graag luisteren naar de persoonlijke geschiedenis van ieder van u, maar dat is niet mogelijk; ik ben gekomen om u gewoon te zeggen dat God u liefheeft met een oneindige liefde. De Zoon van God zelf, de Heer Jezus, heeft ervaren wat gevangenschap is, Hij werd onderworpen aan het oordeel van een rechtbank en Hij heeft de wreedste veroordeling, de doodstraf ondergaan.