• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Een betekenisvol geval is dat van de doofstomme Vgl. Mc. 7, 32-37 . Het verhaal van de evangelist Marcus, dat we zojuist beluisterden, toont dat de genezingen die Jezus verricht, in samenhang zijn met Zijn intense band met de naaste – de zieke – en met de Vader. Het toneel van het wonder wordt zorgvuldig beschreven: “Jezus nam hem terzijde buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan. Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel op, zuchtte en sprak tot hem: ‘Effeta’, wat betekent: Ga open.” (Mc. 7, 33-34). Jezus wil dat de genezing gebeurt “terzijde buiten de kring van het volk”. Dat lijkt niet alleen omdat het wonder verborgen moet blijven voor het volk, om te vermijden dat men begrensde of vervormde interpretaties zou geven van Jezus’ persoon. Dat Jezus ervoor kiest de zieke terzijde te nemen, maakt dat Hij en de zieke op het ogenblik van de genezing alleen zijn, en in een bijzondere relatie tot elkaar staan. De Heer raakt de oren en tong van de zieke aan, de plaatsen van zijn gebrek. De intensiteit van Jezus’ aandacht manifesteert zich door de ongewone handelingen voor de genezing: Hij gebruikt Zijn vingers en zelfs Zijn speeksel. En het feit dat de evangelist ook het oorspronkelijke woord vermeldt dat de Heer uitspreekt – “Effeta”, wat betekent: ga open – wijst op de bijzondere aard van deze scène.

Maar de kern van deze gebeurtenis, is het feit dat Jezus op het ogenblik van de genezing, Zijn band met de Vader zoekt. Het verhaal zegt namelijk dat Hij de ogen ten hemel sloeg en zuchtte Vgl. Mc. 7, 34 . Jezus’ aandacht voor de zieke, Zijn bezorgdheid voor hem, zijn verbonden aan een diepe gebedshouding tot God. En het slaken van een zucht wordt beschreven met een werkwoord dat in het Nieuwe Testament de verzuchting uitdrukt naar iets goed dat nog ontbreekt Vgl. Rom. 8, 23 . Het geheel van het verhaal toont dat de menselijke betrokkenheid bij de zieke, Jezus in gebed brengt. Opnieuw bloeit Zijn unieke band met de Vader op, Zijn identiteit van enige Zoon. In Hem, door Zijn persoon, manifesteert zich het weldadige genezingswerk van de Vader. Het is geen toeval dat het slotcommentaar van de mensen na het wonder, herinnert aan de evaluatie van de schepping, in het begin van Genesis: “Hij heeft alles wel gedaan” (Mc. 7, 37). Zo treedt het gebed duidelijk binnen in het genezend optreden van Jezus, door Zijn blik die naar de Hemel gericht is. De kracht die de doofstomme genezen heeft, werd zeker opgewekt door Zijn medelijden met hem, maar zij komt voort uit de toevlucht die Hij tot de Vader nam. Deze twee relaties ontmoeten elkaar: de menselijke relatie van medelijden met de mens die in relatie treedt met God en die zo een genezing wordt.

Document

Naam: HET GEBED VOOR HET AANGEZICHT VAN GOD EN DE GENEZENDE EN HEILZAME WERKING DAARVAN
Vaticaan, Aula Paulus VI
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 14 december 2011
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert.: Sorores Christi; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test