• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
1.
Wij moeten echter nog dieper graven om de wortels van dit verzet tegen het leven bloot te leggen. Op een tweede niveau en via een meer personalistische benadering, zien we een antropologische dimensie, waarbij wij nu, zij het in het kort, stilstaan.

Hier valt een nieuw dualisme te noteren dat steeds vastere voet krijgt in de westerse cultuur. In dit dualisme komen enkele trekken samen, die typisch zijn voor deze westerse mentaliteit: het individualisme, het materialisme, het utilitarisme en de hedonistische ideologie van de zelfverwerkelijking. In feite wordt het lichaam niet meer spontaan door het subject waargenomen als concrete vorm van al zijn verhoudingen, met God, de anderen en de wereld als een gegeven dat de mens zijn plaats geeft in een heelal in wording, in een voortdurende dialoog, in een zinvolle geschiedenis waaraan hij niet op een positieve wijze zou kunnen participeren zonder haar eigen regels en haar eigen taal te aanvaarden. Het lichaam blijkt in feite eerder een instrument te zijn dat in dienst staat van een welvaartsproject, ontworpen en uitgevoerd door een technische ratio, die berekent hoe zij er haar maximale voordeel mee kan doen.

De seksualiteit zelve wordt zodoende losgemaakt van de persoon en tot louter instrument gemaakt, herleid tot een eenvoudig genotsmiddel en niet langer beschouwd als de verwezenlijking van de zelfgave. noch als uitdrukking van een liefde die, voor zover deze authentiek is, de andere persoon zonder voorbehoud opneemt en zich open stelt voor de rijkdom van het leven, waarvan zij de draagster is, voor haar kind dat ook het eigen kind zal zijn. De twee betekenissen van de seksuele act, te weten die van de vereniging en die van de voortplanting, worden gescheiden. De verereniging wordt verarmd en de vruchtbaarheid wordt verwezen naar de sfeer van een rationele berekening: "Het kind, oké maar wanneer en zoals ik het wil."

Het wordt dus duidelijk dat deze vorm van dualisme tussen een technische ratio en een lichaam als voorwerp, de mens toestaat te ontsnappen aan het mysterie van het bestaan. In werkelijkheid verwijzen de geboorte en de dood, het ontstaan en het verdwijnen van een andere persoon, de komst en de ontbinding van het 'ik', het menselijk subject, rechtstreeks naar de kwestie van zijn eigen zingeving en dat van zijn bestaan. Het is wellicht om deze angstaanjagende vraag te ontvluchten wanneer de mens een zo compleet mogelijk eigen domein probeert af te bakenen betreffende deze twee sleutelmomenten van het leven en deze tracht over te plaatsen van het domein van het mysterie naar het domein van het handelen. Op deze wijze wordt de illusie gewekt dat de mens zijn eigen meester is, in het bezit van een absolute vrijheid, en dat de mens gefabriceerd kan worden volgens een plan dat niets aan het onzekere, niets aan het toeval, niets aan het mysterie overlaat.

2.
Een wereld die de optie van zulke vormen van efficiëntie aanvaardt, een wereld die bovendien op zulke wijze de logica van het nut bekrachtigt, een wereld die bovendien de vrijheid beschouwt als een absoluut recht van het individu, en het geweten ziet als een volledig geïsoleerde en subjectieve instantie, deze wereld neigt noodzakelijkerwijze naar de verpaupering van alle menselijke verhoudingen. Deze worden uiteindelijk beschouwd als machtsverhoudingen, zodat aan zwakkere menselijke wezens de plaats wordt ontnomen die hun toekomt.

De ideologie van het nut die vanuit dit standpunt vertrekt, gaat in de richting van een ideologie van de mannelijke superioriteit en het 'feminisme' wordt dan een legitieme reactie op de instrumentalisering van de vrouw. Erg vaak echter baseert het zogenoemde 'feminisme' zich op dezelfde vooronderstelling van nuttigheid als de ideologie van de mannelijke superioriteit en in plaats van de vrouw te bevrijden wordt het tot een instrument van haar onderwerping.

Wanneer, in de lijn van het reeds vermelde dualisme, de vrouw haar eigen lichaam verloochent en het beschouwt als een louter object in dienst van een strategie van geluksverwerving door middel van zelfverwerkelijking, dan verwerpt deze vrouw ook haar vrouwelijkheid, de typisch vrouwelijke wijze om zichzelf te geven en ontvankelijk te zijn voor de ander, waarvan het moederschap het meest kenmerkende teken en de meest concrete realisatie is.

Wanneer de vrouw kiest voor de vrije liefde en het recht van abortus voor zich opeist, dan draagt zij er mede toe bij dat die opvatting inzake menselijke verhoudingen veld wint, die zegt dat de waardigheid van het individu in de ogen van de andere afhankelijk is van de mate waarin die persoon iets te bieden heeft. De vrouw neemt aldus stelling tegen haar eigen vrouwelijkheid en tegen de waarden die zij in zich draagt, zoals de ontvankelijkheid voor het leven, de beschikbaarheid voor de zwakkere, de onvoorwaardelijke overgave aan de behoeftige. Een echt feminisme, dat nog opgebouwd moet worden en zich inspant voor de ontplooiing van de vrouw in haar gehele waarheid en voor de bevrijding van alle vrouwen, zal zich ook inzetten voor het welzijn van de gehele mens en voor de bevrijding van alle menselijke wezens. Dit feminisme zal strijden voor de erkenning van de waardigheid die elke persoon in zich draagt, door het simpele feit dat hij bestaat en door God geschapen en gewild is, een waardigheid die niet berust op het nut van een persoon, op zijn macht, schoonheid, intelligentie, rijkdom of gezondheid. Deze vorm van feminisme zou de verspreiding bevorderen van een antropologie die het wezen van de menselijke persoon ziet in het wegschenken van zichzelf en in de ontvankelijkheid voor de ander, waarvan het lichaam, zowel mannelijk als vrouwelijk, teken en werktuig is.

Juist door de ontwikkeling van een antropologie die de mens voorstelt in zijn persoonlijke en relationele heelheid, kan een antwoord ge gegeven worden op het wijd verbreide argument dat abortus het beste bestreden kan worden door de contraceptie. Ieder van ons heeft dit verwijt aan het adres van de Kerk reeds kunnen beluisteren: "Het is absurd dat jullie gelijktijdig èn de contraceptie èn de abortus willen verbieden. De toegang afsluiten tot de eerste mogelijkheid maakt dat de tweede onvermijdelijk wordt."

Een bewering van deze aard, die op het eerste zicht heel geloofwaardig lijkt, wordt echter door de ervaring weerlegd: in het algemeen stelt men vast dat voor wat betreft contraceptie het percentage evenredig toeneemt met het percentage abortussen. Deze paradox is niet verwonderlijk. Men moet er zich inderdaad rekenschap van geven dat zowel contraceptie als vruchtafdrijving wortel schieten in de van de persoon losgemaakte en utilitaristische visie op de seksualiteit en de voortplanting, zoals hierboven door ons omschreven; een visie, die zich op haar beurt baseert op een verminkte opvatting van de mens en zijn vrijheid.

Het gaat dus niet om een verantwoordelijk en waardig beheer van de eigen vruchtbaarheid, in functie van een edelmoedig plan, dat steeds ontvankelijk is voor een nieuw en onvoorzien leven. Eerder gaat het er om zich een zo volledig mogelijke beheersing van de voortplanting te verzekeren zodat zelfs de gedachte aan een niet gepland kind van de hand wordt gewezen. Aldus verstaan, leidt contraceptie noodzakelijkerwijze naar abortus als 'noodoplossing'. De mentaliteit van contraceptie kan blijkbaar niet bekrachtigd worden, zonder dat gelijktijdig de ondersteunende ideologie bekrachtigd wordt en abortus bijgevolg impliciet wordt aangemoedigd. Indien men daarentegen de grondgedachte ontwikkelt dat de mens zichzelf dan alleen volledig kan hervinden, wanneer hij zichzelf edelmoedig wegschenkt en de ander onvoorwaardelijk verwelkomt, gewoon omdat deze bestaat, dan zal abortus niet anders gezien kunnen worden dan als een waanzinnige misdaad. Zoals wij hebben opgemerkt, voert een individualistische antropologie tot de overtuiging dat de objectieve waarheid onbereikbaar, de vrijheid willekeurig en het geweten een in zich gesloten instantie is. Dit mensbeeld nodigt de vrouw niet alleen uit de mannen te haten, maar ook haarzelf, haar eigen vrouwelijkheid en, in het bijzonder, haar eigen moederschap. In een meer algemene zin, drijft een soortgelijke leer de mens tot zelfhaat. Hij minacht zichzelf en is het niet langer eens met God, die zijn schepping 'als goed' had bevonden (Gen. 1, 31). De huidige mens beschouwt zichzelf als de grote vernieler van de wereld, en als een onzalig voortbrengsel van de evolutie. En de mens die geen toegang meer heeft tot het oneindige, tot God, is inderdaad een tegenstrijdig wezen, een wanproduct. De logica van de zonde wordt hier evident: de mens die gelijk wil zijn aan God, zoekt de absolute onafhankelijkheid. Om zelfgenoegzaam te zijn, moet hij onafhankelijk worden en zich zelfs vrijmaken van de liefde, die altijd een vrije genade is, en niet produceerbaar en maakbaar is. Door echter van de liefde afstand te nemen, snijdt hij zich tevens af van de ware rijkdom van zijn wezen, en komt hij terecht in een leegte. Tenslotte is het verzet tegen zijn eigen bestaan niet meer te vermijden. "Het menszijn is geen goede zaak" - de logica van de dood behoort tot de logica van de zonde. De weg naar abortus, euthanasie en de uitbuiting van de zwakkeren ligt wagenwijd open.

Samenvattend kunnen wij dus zeggen: de uiteindelijke wortel van de haat tegen het menselijk leven en van alle aanvallen op het menselijk leven is het verlies van het Godsbesef. Waar God verdwijnt, verdwijnt ook de absolute waardigheid van het menselijk leven. De onaantastbare heiligheid van de menselijke persoon is onthuld in het licht van de openbaring omtrent de schepping van de mens naar Gods beeld en gelijkenis. Alleen deze goddelijke dimensie waarborgt de volle waardigheid van de menselijke persoon. Een louter vitalistische redenering, zoals vaak wordt aangewend (bijvoorbeeld door A. Schweitzer), kan een eerste stap in de goede richting betekenen, maar blijft onvoldoende en leidt niet tot het beoogde doel. In de strijd voor het leven blijft de rede over God onontbeerlijk. De metafische grondslag van de menselijke waardigheid komt alleen op deze manier naar voren; alleen zo treedt de waarde van het zwakke leven aan het licht, van de gehandicapte onproductieve personen, van de zieken die geen uitzicht op genezing hebben, enzovoorts. De grootste les inzake de menselijke waardigheid blijft steeds het kruis van Christus; de oorsprong van ons heil is niet gelegen in de actie, maar in het lijden van Gods Zoon; wie niet lijden kan, is ook niet in staat te leven.

Document

Naam: HET PROBLEEM VAN DE BEDREIGINGEN VOOR HET MENSELIJK LEVEN
Overzicht gegeven bij het Buitengewone Consistorie over dit thema
Soort: Joseph Kardinaal Ratzinger
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 4 april 1991
Copyrights: © 1991, Kerkelijke Documentatie p. 161
Vert.: dhr. A.J. Geuns, alineanummering en -indeling: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test