• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Wanneer wij nu een vluchtige blik richten op het moderne tijdperk, worden wij geconfronteerd met een dialectiek die tot heden voortbestaat. Enerzijds gaat de moderne tijd er prat op de grondgedachte van de mensenrechten, eigen aan elk menselijk wezen en voorafgaand aan elke positief recht, te hebben ontdekt en op plechtige wijze te hebben afgekondigd. Anderzijds zijn deze rechten, in theorie als zodanig erkend, nooit diepgaander en radicaler genegeerd in de praktijk. De wortels van deze tegenstelling dienen gezocht te worden in het culminatiepunt van het moderne tijdperk: in de theorieën van de Verlichting omtrent de kennis, met de daaraan verbonden visie op de vrijheid, in de leerstellingen over het sociale contract, met het begeleidende concept van de maatschappij.

Het fundamentele dogma van de Verlichting bepaalt dat de mens dient te zegevieren over de vooroordelen die de erfenis zijn van de traditie; de mens moet de moed opbrengen zich te ontvoogden van elke vorm van gezag om autonoom te kunnen denken, volledig gebruik makend van zijn eigen verstand. Vanaf dat moment wordt het zoeken naar de waarheid niet verder beschouwd als een gemeenschappelijke poging, waardoor mensen, in ruimte en tijd verbonden, elkaar helpen om te ontdekken wat moeilijk alleen te vinden valt. Het verstand, afgesneden van elk verband en verhouding met de ander, wordt op zichzelf teruggeworpen en uiteindelijk beschouwd als een gesloten en onafhankelijke instantie. De waarheid zal geen objectief gegeven meer zijn, dat zich aan allen en iedereen, mede door de tussenkomst van de anderen, openbaart. Zij zal stilaan verworden tot een uiterlijk gegeven, dat door eenieder vanuit zijn eigen standpunt gevat zal worden, zonder dat men ooit weet in welke mate deze visie samenvalt met het object op zich en de waarneming van anderen. De waarheid zelf inzake het goede wordt onbereikbaar. De gedachte van het goede op zich valt buiten de waarneming van de mens. Het enig referentiepunt is voortaan gelegen in wat eenieder voor zich opvatten kan als goed. Bijgevolg wordt de vrijheid niet verder beschouwd als een positief streven naar het goede, zoals ontvouwd door het verstand, hierin geholpen door de gemeenschap en de traditie. De waarheid wordt integendeel eerder bepaald als een ontvoogding van alle beperkingen, die verhinderen het eigen verstand te gebruiken. Vrijheid wordt bestempeld als "vrijheid gebaseerd op onverschilligheid".

Voor zover de verwijzing naar de christelijke waarden, ook al ware deze slechts impliciet, voldoende levendig blijft om de individuele rede op het gemeenschappelijke goed te richten, zal de vrijheid zichzelf beperkingen opleggen met het oog op een sociale orde en een vrijheidsruimte die voor allen beschikbaar moet blijven. De uitvoerige theorieën omtrent de vrijheid en de democratische instellingen, zoals bijvoorbeeld ontvouwd door Montesquieu, veronderstellen steeds de erkenning van een, door God gewaarborgd, voorafgaand recht, en van universele waarden. Genoemde theorieën beschermen deze waarden door de individuele vrijheid te beperken, die op die manier in staat gesteld wordt sociaal te functioneren. De grote verklaringen over de rechten van de mens werden in deze dynamiek naar voren gebracht.

De theorieën inzake het sociale contract waren gebaseerd op de opinie dat er een rechtsorde is die voorafgaat aan de individuele wilsbeschikkingen, die dat recht in acht moeten nemen. Vanaf het ogenblik dat de religies zich onbekwaam getoond hadden de vrede veilig te kunnen stellen, en eerder de oorzaak van oorlogen gebleken waren, worden aan het einde van de zeventiende eeuw zie Hebbes, de leerstellingen van het 'sociale contract' opgesteld: wat de mensen dwingt om zich onderling te verstaan is een redelijk erkend recht, dat geëerbiedigd dient te worden door een Verlichte Vorst, als belichaming van de algemene wil.

Maar ook nu de gemeenschappelijke verwijzing naar de universele waarden en uiteindelijk naar God in de vergetelheid raakt, blijkt de maatschappij niet méér te zijn dan een geheel van naast elkaar staande individuen, en het contract dat hen onderling bindt, wordt noodzakelijkerwijze gezien als een verdrag van degenen die de macht bezitten om hun wil op te leggen aan de anderen.

Teneinde een aspect te belichten van deze tegenstelling tussen de theoretische verklaring van de mensenrechten en hun praktische ontkenning, zou ik willen verwijzen naar de grondwet van Weimar d.d. 11 augustus 1919 ten tijde van de eerste Duitse republiek. Deze grondwet spreekt zich inderdaad uit over de grondrechten maar dan wel door deze in te passen in een context van onverschilligheid inzake de universele waarden en van relativisme, hetgeen voor de wetgevers een onvermijdelijk en daarom noodzakelijk gevolg bleek van de tolerantiegedachte. Maar juist deze verabsolutering van de verdraagzaamheid, verruimd tot een absoluut relativisme, heeft ervoor gezorgd dat ook de grondrechten als betrekkelijk beschouwd werden, en zelfs dusdanig dat het nazi-regime geen enkele reden zag die artikelen te schrappen waarvan de grondslag te zwak en te dubbelzinnig bleek om een onbetwistbare bescherming te bieden tegen de nationaal-socialistische campagne voor de vernietiging van de mensenrechten. In deze dialectiek, eigen aan de moderniteit, komt men aldus van de bevestiging van de vrijheidsrechten, losgekoppeld van elke onpartijdige verwijzing naar een gemeenschappelijke waarheid, uit bij de vernietiging van de eigen grondslagen van dezelfde vrijheid. De 'Verlichte Despoot', zoals bedacht door de theoretici van het sociale contract, verwordt tot de tirannieke en, in feite totalitaire, staat die kan beschikken over het leven van de meest zwakken, vanaf het nog ongeboren kind tot de bejaarde, en in naam van een openbaar nut dat in werkelijkheid niets anders is dan het eigen voordeel van enkelen.

En dit is eigenlijk de meest opvallende eigenschap van de huidige grote ontsporing inzake de eerbied voor het leven: vanaf het moment dat staten en zelfs internationale organisaties zich opstellen als beschermer van abortus en euthanasie, wetten afkondigen die deze toelaten, en middelen voor de uitvoering ervan ter beschikking stellen, gaat het niet langer om een probleemstelling van een louter individuele moraal, maar om een kwestie van sociale moraal.

Document

Naam: HET PROBLEEM VAN DE BEDREIGINGEN VOOR HET MENSELIJK LEVEN
Overzicht gegeven bij het Buitengewone Consistorie over dit thema
Soort: Joseph Kardinaal Ratzinger
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 4 april 1991
Copyrights: © 1991, Kerkelijke Documentatie p. 161
Vert.: dhr. A.J. Geuns, alineanummering en -indeling: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test