Joseph Kardinaal Ratzinger - 31 mei 2004
BRIEF AAN DE BISSCHOPPEN VAN DE KATHOLIEKE KERK OVER DE SAMENWERKING VAN MAN EN VROUW IN DE KERK EN IN DE WERELD | |||
► | Het belang van vrouwelijke waarden in het leven van de maatschappij |
Een van de fundamentele waarden verbonden met het feitelijke leven van de vrouw is wel genoemd een 'gave voor de ander'. Ofschoon een bepaald soort feministische retoriek 'eisen voor onszelf' stelt, bewaart de vrouw toch de diepgaande intuïtie dat het beste in haar leven bestaat uit het zich inzetten voor anderen, voor hun groei, voor hun bescherming. Deze intuïtie hangt samen met het lichamelijke vermogen van de vrouw leven te schenken. Of dit nu in de praktijk plaats vindt of alleen een mogelijkheid blijft, dit vermogen is een werkelijkheid die de vrouwelijke persoonlijkheid diepgaand kenmerkt. Het stelt haar in staat snel volwassen te worden en geeft haar gevoel voor de ernst van het leven en de daarmee verbonden verantwoordelijkheden. In haar ontwikkelt zich gevoel en eerbied voor het concrete, tegenover abstracties die zo dikwijls fataal zijn voor het bestaan van individuen en de samenleving. Ten slotte beschikt de vrouw ook over een bijzonder vermogen - verleden en heden getuigen daarvan - zelfs in de meest uitzichtloze situaties stand te houden bij tegenslag, het leven onder de meest extreme omstandigheden toch nog mogelijk te maken, altijd vast te houden aan de toekomst en ten slotte met tranen de waarde van ieder menselijk wezen indachtig te zijn.
Ofschoon het moederschap een sleutelelement is in de identiteit van de vrouw, is het niet juist de vrouw alleen maar te beschouwen vanuit het perspectief van de biologische voortplanting. Op dit gebied kunnen er zware overdrijvingen plaats vinden, die de biologische vruchtbaarheid in louter kwantitatieve termen verheerlijken en dikwijls gepaard gaan met een gevaarlijke onderwaardering van de vrouw. De christelijke roeping tot maagdelijkheid, die ten opzichte van de oudtestamentische traditie en de eisen van veel samenlevingen, zeer radicaal is, is in dit licht van het grootste belang. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 16 Deze roeping ondergraaft iedere poging de vrouw op te sluiten in een louter biologisch lot. Zoals de maagdelijkheid door het lichamelijk moederschap er aan herinnerd wordt dat er geen andere christelijke roeping is dan de concrete zelfgave aan de ander, zo maakt de maagdelijkheid de fundamenteel geestelijke dimensie van het moederschap duidelijk. Om de ander werkelijk het leven te schenken kan men niet volstaan met lichamelijk leven. Dit betekent dat moederschap zich volledig kan verwerkelijken ook al is er geen fysieke voortplanting. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 41 Vgl. Congregatie voor de Geloofsleer, Over het beginnend menselijk leven en waardigheid van de voortplanting, Donum Vitae (22 feb 1987), 8
In dit perspectief kunnen we de onvervangbare rol van de vrouw begrijpen in alle aspecten van het gezinsleven en de maatschappij, waar het gaat om menselijke relaties en de zorg voor anderen. Hier wordt wat Johannes Paulus II de genius van de vrouw heeft genoemd heel duidelijk. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Brief aan de Vrouwen (29 juni 1995), 9 Dit impliceert op de eerste plaats dat vrouwen actief en standvastig aanwezig moeten zijn in het gezin, de "oorspronkelijke en in zekere zin 'soevereine' gemeenschap".H. Paus Johannes Paulus II, Brief, Brief aan de Gezinnen - Bij gelegenheid van het Internationaal Jaar van het Gezin, Gratissimam sane (2 feb 1994), 17 Hier wordt namelijk op de eerste plaats het aanschijn van een volk gevormd, hier leren de leden de grondslagen. Ze leren liefhebben omdat ze zelf onvoorwaardelijke liefde ontvangen, ze leren anderen respecteren omdat ze zelf gerespecteerd worden, ze leren het gelaat van God kennen, omdat ze deze openbaring ontvangen van een vader en een moeder die alle aandacht voor hen hebben. Als deze fundamentele ervaringen ontbreken wordt aan de samenleving als geheel geweld aangedaan en wordt deze zelf de veroorzaker van veel vormen van geweld. Dit houdt ook in dat vrouwen aanwezig moeten zijn in de wereld van het werk en de samenleving en dat ze toegang moeten hebben tot verantwoordelijke posities, die hen in staat stellen het beleid van naties te inspireren en vernieuwende oplossingen voor economische en sociale problemen te bevorderen.
Hierbij mag men echter niet vergeten dat de verhouding tussen deze twee activiteiten - gezin en werk - voor de vrouw anders ligt dan voor de man. Het met elkaar in overeenstemming brengen van de organisatie van het werk en de daarbij behorende wetten, en de eisen die aan de vrouw worden gesteld met betrekking tot het gezin is een uitdaging. Dit is niet alleen een wettelijke, economische en organisatorische vraag, maar bovenal een vraag van mentaliteit, cultuur en respect. Er wordt gevraagd om een rechtvaardige waardering van het werk dat de vrouw in het gezin verricht. Zo kunnen vrouwen die dat zelf willen in staat worden gesteld al hun tijd aan het huishoudelijk werk te besteden, zonder dat dit negatieve maatschappelijke of financiële consequenties heeft. Vrouwen die ook ander werk willen doen, moeten een aangepast werkrooster kunnen krijgen en niet worden gedwongen te kiezen tussen het opgeven van hun gezinsleven of het voortdurend onder ondragelijke druk staan, met negatieve gevolgen voor zowel het eigen geestelijk evenwicht als de harmonie in het gezin. Zoals Johannes Paulus II heeft geschreven: "Het moet tot eer van een samenleving strekken aan de moeder - zonder belemmeringen te stellen aan haar vrijheid, zonder psychologische of praktische discriminatie, zonder haar achter te stellen ten opzichte van andere vrouwen - de mogelijkheid te geven om haar kinderen op te voeden en zich aan hun vorming te wijden overeenkomstig de verschillende behoeften van hun leeftijd." H. Paus Johannes Paulus II, Encycliek, Op de negentigste verjaardag van de encycliek Rerum Novarum, Laborem Exercens (14 sept 1981), 19
Het is echter passend hier in herinnering te brengen dat de vrouwelijke waarden die hierboven genoemd zijn bovenal menselijke waarden zijn: de menselijke staat van man en vrouw, geschapen naar het beeld van God, is één en ongedeeld. Alleen omdat vrouwen meer direct afgestemd zijn op deze waarden kunnen ze een oproep en een bevoorrecht teken van zulke waarden zijn. Uiteindelijk is echter iedere mens, man of vrouw, bestemd om er te zijn 'voor de ander'. In dit perspectief is wat 'vrouwelijk' genoemd wordt méér dan een eigenschap van het vrouwelijk geslacht. Het woord duidt namelijk de fundamentele eigenschap van de mens aan voor en door anderen te leven. Daarom moet de bevordering van de rol van de vrouw in de samenleving begrepen worden als een vermenselijking, dankzij de door de vrouwen opnieuw ontdekte waarden. Iedere zienswijze die zich presenteert als een strijd tussen de geslachten is slechts een illusie en een gevaar. Het resultaat zou scheiding van en concurrentie tussen mannen en vrouwen zijn en zou alleen egocentrisme bevorderen, gevoed door een vals idee van vrijheid. Zonder de bevordering van de vrouwenrechten in de samenleving en in het gezin te bagatelliseren, willen deze opmerkingen de opvatting corrigeren dat mannen vijanden zijn die overwonnen moeten worden. De verhouding tussen man en vrouw kan niet bestaan uit een soort wantrouwige, defensieve tegenwerking. De verhouding moet worden beleefd in vrede en het geluk van gedeelde liefde. Op een meer concreet niveau van sociaalpolitiek beleid, op het gebied van opvoeding, werk, gezin, toegang tot dienstverlening en deelname aan het burgerlijk leven, moet aan de ene kant iedere vorm van onrechtvaardige discriminatie naar geslacht worden bestreden, en aan de andere kant moet er ook aandacht zijn voor de verlangens en behoeften van iedereen. De verdediging en bevordering van gelijke waardigheid en gemeenschappelijke persoonlijke waarden moeten in overeenstemming worden gebracht met de zorgvuldige erkenning van het verschil en de wederzijdsheid tussen de geslachten, waar dit van belang is voor het verwerkelijken van ieders menselijkheid, of men nu man of vrouw is.