• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Lieve broeders en zusters!

“Gij zijt mijn zoon, ik riep heden u in het leven” – met dit woord uit Psalm 2 begint de Kerk de liturgie van de heilige Kerstnacht. Zij weet dat dit woord oorspronkelijk deel uitmaakte van het kroningsritueel voor de koning van Israël. De koning, die uit zichzelf een menselijk wezen is zoals de andere mensen, wordt “zoon van God” door roeping en door aanstelling in zijn ambt: het is een soort adoptie vanwege God, een beslissingsdaad waardoor Hij deze mens een nieuw bestaan schenkt, hem in zijn eigen wezen binnentrekt. De lezing uit de profeet Jesaja, die we zo pas beluisterd hebben, toont nog duidelijker dezelfde handelwijze in een situatie van nood en bedreiging voor Israël: “Een kind is ons geboren, een zoon is ons geschonken. Op zijn schouders rust de heerschappij.” (Jes. 9, 5). De aanstelling in het koningsambt is als een nieuwe geboorte. Juist omdat de nieuwe koning dankzij Gods persoonlijke beslissing pas geboren is, als een kindje dat van God komt, betekent hij nieuwe hoop. Op zijn schouders rust de toekomst. Hij is drager van de vredesbelofte. In de nacht van Bethlehem is dit profetisch woord werkelijkheid geworden op een wijze die in de tijd van Jesaja nog onvoorstelbaar zou geweest zijn. Ja, nu is het werkelijk een kind, Degene op wiens schouders de heerschappij rust. In Hem verschijnt het nieuwe koningschap, dat God in de wereld opricht. Dit kind is werkelijk uit God geboren. Hij is het eeuwig Woord van God, dat mensheid en godheid met elkaar verbindt. Voor dit kind gelden de waardigheidstitels, die het kroningslied van Jesaja hem toekent: wonderbare Raadsman – goddelijke Held – eeuwige Vader – Vredevorst (Jes. 9, 5). Ja, deze koning heeft geen raadgevers nodig uit de kring van de wereldse wijzen. Hij draagt in zichzelf Gods wijsheid en Gods raad. Juist in de zwakheid van het kind-zijn is Hij de sterke God en toont ons zo, tegenover de verwaande machten van de wereld, Gods eigen sterkte.

De woorden van het kroningsritueel in Israël waren in feite altijd slechts hoopvolle rituelen, die vooruitblikten naar een verre door God geschonken toekomst. Geen enkele van de koningen die op deze wijze begroet werden, beantwoordde aan de verhevenheid van deze woorden. In hen bleven al die mooie woorden over het zoonschap van God, over het in bezit krijgen van de erfenis der volkeren, over eigendommen tot aan de einden der aarde (Ps. 2, 8) enkel een verwijzing naar het toekomstige – als hoopvolle wegwijzers, als aanwijzingen van een toekomst die op dat ogenblik nog ondenkbaar was. Zo is de vervulling van dit woord, die in de nacht van Bethlehem begint, tegelijkertijd oneindig veel groter, maar – vanuit het standpunt van de wereld – ook geringer dan wat het profetisch woord liet uitschijnen. Ze is groter omdat dit kindje werkelijk Zoon van God is, werkelijk “God uit God, licht uit licht, geboren, niet geschapen, één in wezen met de Vader”. De oneindige afstand tussen God en de mens is overbrugd. God heeft zich niet enkel naar beneden neergebogen, zoals de Psalmen zeggen; Hij is werkelijk “afgedaald”, de wereld binnengetreden, één van de onzen geworden om ons allen naar Zich toe te trekken. Dit kindje is waarlijk de Emmanuel, ‘God-met-ons’. Zijn heerschappij strekt zich werkelijk uit tot aan de uiteinden der aarde. Door de wereldomvattende weidsheid van de heilige Eucharistie heeft Hij werkelijk eilanden van vrede opgericht. Overal waar ze gevierd wordt, ontstaat een eiland van vrede, van Gods eigen vrede. Dit kindje heeft bij de mensen het licht van de goedheid aangestoken en hen de kracht gegeven om zich tegen de tirannie van de macht te verzetten. In elke generatie bouwt Het zijn rijk van binnen uit, vanuit het hart. Maar het is ook waar dat “de stok van de drijver” niet verbrijzeld is. Ook vandaag stampen dreunend de laarzen van de soldaten en nog altijd en telkens opnieuw is er de “mantel waar bloed aan kleeft” Vgl. Jes. 9, 3. e.v. . Toch behoort bij deze nacht de vreugde over de nabijheid van God. Wij zijn dankbaar omdat God zichzelf als kindje in onze handen legt, als het ware om onze liefde bedelt en zijn vrede in ons hart neerlaat. Nochtans is deze vreugde ook een gebed: Heer, verwezenlijk uw belofte helemaal. Verbrijzel de stokken van de drijver. Verbrand de dreunende soldatenlaarzen. Maak een einde aan de tijd van de met bloed besmeurde mantels. Verwezenlijk de belofte: “Aan de vrede zal geen einde komen” (Jes. 9, 6). Wij danken U voor uw goedheid, maar wij smeken u ook: toon uw macht. Vestig in de wereld de heerschappij van uw waarheid, van uw liefde – het “rijk van de gerechtigheid, van de liefde en de vrede”.

Document

Naam: “GIJ ZIJT MIJN ZOON, IK RIEP HEDEN U IN HET LEVEN”
Hoogfeest van de Geboorte van de Heer 2010 - Middernachts Mis - Vaticaanse Basiliek
Soort: Paus Benedictus XVI - Homilie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 24 december 2010
Copyrights: © 2011, Libreria Editrice Vaticana
Vert. vanuit het Italiaans: Hugo Maes pr.; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test