H. Paus Paulus VI - 29 juni 1971
Evenzeer verneemt u de klacht van zovele mensenlevens die worden meegesleurd in de onverbiddelijke draaikolk van de arbeid voor het dagelijks onderhoud voor winstbejag ter verkrijging van genot- en gebruiksgoederen, die op hun beurt weer een soms onmenselijke machtsstrijd ontketenen. Een van de voornaamste beweegredenen voor uw armoede zal dan ook zijn: te getuigen van de menselijke zin van de arbeid die in geestelijke vrijheid wordt verricht en aan de natuur wordt besteed als een reserve voor het behoud van en de dienst aan het leven. Heeft het Concilie niet terecht gezegd, dat u noodzakelijk bent onderworpen aan de algemene wet van de arbeid? 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de vernieuwing en aanpassing van het religieuze leven, Perfectae Caritatis (28 okt 1965), 13 Dit is derhalve de plicht waaraan u gebonden zijt: te zorgen voor het leven van uzelf en uw broeders en zusters en de armen te verlichten door uw werk. Maar het mag niet zo zijn, dat uw activiteit tegen de roeping van de diverse instituten indruist en werkzaamheden als normaal invoert die van dien aard zijn, dat ze de speciale taken en plichten die aan die instituten eigen zijn, verdringen. Zo zoudt u automatisch worden gebracht tot de aanvaarding van een wereldse levenswijze, tot grote schade voor het religieuze leven. Weest dus bezorgd om de geest die u beweegt. U zoudt werkelijk schipbreuk lijden, wanneer u zoudt menen, dat uw waarde alleen maar was gelegen in de winst die u maakt uit profane zaken.