• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE THEOLOGISCHE VISIE VAN DE PASTORALE BRIEVEN
19e catechese in de reeks over de H. Apostel Paulus

Beste broeders en zusters,

de laatste brieven van het paulinisch epistolarium, waarover ik vandaag zou willen spreken, worden Pastorale Brieven genoemd omdat zij aan afzonderlijke Herders of Pastores van de Kerk gestuurd zijn: twee aan Timoteüs en een aan Titus, nauwe medewerkers van sint Paulus.

In Timoteüs zag de Apostel als het ware een alter ego; hij vertrouwde hem immers belangrijke zendingen toe (naar Macedonië: Hand. 19, 22; naar Tessaloníca: vgl. 1 Tess. 3, 6-7; naar Korinte: vgl. 1 Kor. 4, 17; 1 Kor. 16, 10-11), en bovendien schreef hij een vleiende lofrede over hem: “Ik heb niemand zo gelijk van ziel als hij, die oprecht om u zal bekommeren” (Fil. 2, 20) Noot van de vertaler: “gelijk van ziel”, namelijk met Paulus, als een “alter ego”. De Willibrord vertaalt dit woord weg en heeft “Ik ken niemand die u zo welgezind is en zo trouw uw belangen zal behartigen als hij” (Zowel WB 1975, als WB 1995). Volgens de H. Eusebius van Caesarea
Historia Ecclesiastica
Geschiedenis van de Kerk ()
van Eusebius van Caesarea, van de IV-de eeuw, was Timoteüs de eerste bisschop van Efeze Vgl. H. Eusebius van Caesarea, Geschiedenis van de Kerk, Historia Ecclesiastica. 3, 4.

Wat Titus betreft, ook hij moet de Apostel heel dierbaar zijn geweest, die hem uitdrukkelijk beschrijft als vol “ijver... mijn metgezel en medewerker” (2 Kor. 8, 17.23), sterker nog, als “mijn wettig kind in het gemeenschappelijk geloof” (Tit. 1, 4). Hij was belast geweest met een paar heel delicate zendingen in de Kerk van Korinte, waarvan het resultaat Paulus opgebeurd had Vgl. 2 Kor. 7, 6-7.13 Vgl. 2 Kor. 8, 6 . Vervolgens heeft Titus zich, naar ons is overgeleverd, bij Paulus gevoegd in Nikopolis in Epirus, in Griekenland Vgl. Tit. 3, 12 en werd daarna naar Dalmatië gezonden Vgl. 2 Tim. 4, 10 . Volgens de brief die aan hem gericht is, is hij tenslotte bisschop geworden van Kreta Vgl. Tit. 1, 5 .

De Brieven welke aan deze twee herders gericht zijn, nemen in het Nieuwe Testament een heel bijzondere plaats in. De meerderheid van de exegeten is tegenwoordig van mening dat deze brieven niet door Paulus zelf geschreven zijn, maar dat hun oorsprong in de zogenaamde “school van Paulus” ligt, en dat zij zijn erfgoed weergeven voor een nieuwe generatie, wellicht onder opneming van een kort geschrift of woord van de Apostel zelf. Zo lijken bijvoorbeeld enkele woorden van de Tweede Brief aan Timoteüs dermate authentiek dat zij alleen maar kunnen stammen uit het hart en de mond van de Apostel.
Zonder twijfel is de kerkelijke situatie die uit deze Brieven naar voren komt verschillend van die uit de centrale jaren van Paulus’ leven. Hij noemt zichzelf nu, in een terugblik, “heraut, apostel en leraar” van de heidenen in het geloof en in de waarheid, Vgl. 1 Tim. 2, 7 Vgl. 2 Tim. 1, 11 ; hij stelt zich voor als iemand die barmhartigheid verkregen heeft, omdat Jezus Christus - zo schrijft hij - “aan mij als eerste heel Zijn lankmoedigheid wilde demonstreren, als een model voor allen die in de toekomst op Hem zouden vertrouwen en eeuwig leven winnen” (1 Tim. 1, 16). Wezenlijk is dus dat in Paulus, de vervolger die tot bekering kwam door de aanwezigheid van de Verrezene, werkelijk de lankmoedigheid van de Heer zichtbaar wordt als bemoediging voor ons, om ons te brengen tot hopen en tot het hebben van vertrouwen in de barmhartigheid van de Heer die, ondanks onze kleinheid, grote dingen kan doen.

Behalve de centrale jaren uit het leven van Paulus worden hier ook de nieuwe culturele omstandigheden verondersteld. Er wordt immers gezinspeeld op het opkomen van leringen die als volkomen dwalend en vals moeten worden beschouwd Vgl. 1 Tim. 4, 1-2 Vgl. 2 Tim. 3, 1-5 , zoals die van wie beweerden dat het huwelijk niet goed zou zijn Vgl. 1 Tim. 4, 3a . We zien hoe modern deze bekommernis is, want ook vandaag de dag wordt de Schrift soms gelezen als object van historische nieuwsgierigheid en niet als woord van de heilige Geest, waarin wij de stem zelf van de Heer kunnen horen en Zijn aanwezigheid in de geschiedenis kunnen kennen. We zouden kunnen zeggen dat met deze korte opsomming van dwaalleringen in de drie Brieven, al enkele trekken zichtbaar worden van die latere dwaalrichting die bekend is onder de naam van gnosticisme Vgl. 1 Tim. 2, 5-6 Vgl. 2 Tim. 3, 6-8 .

Universaliteit en het geloof als waarheid
Tegenover deze leerstellingen neemt de schrijver stelling door aan twee fundamentele zaken te herinneren. Allereerst door te verwijzen naar een geestelijke lezing van de Heilige Schrift Vgl. 2 Tim. 3, 14-17 , dat wil zeggen naar een lezing die haar, de Schrift, werkelijk beschouwt als “geïnspireerd” en komend van de Heilige Geest, zodat men door haar kan worden “onderricht tot het heil”. De Schrift wordt op de juiste wijze gelezen door een samenspraak aan te gaan met de Heilige Geest, om er licht aan te ontlenen“ en te kunnen “onderrichten, weerleggen, verbeteren en opvoeden tot een rechtschapen leven” (2 Tim. 3, 16). In deze zin voegt de brief toe: “zodat de man Gods voor zijn taak berekend is en toegerust voor elk goed werk" (2 Tim. 3, 17).

Ten tweede door de verwijzing naar het goede “depositum” (parathéke): het is een speciaal woord van de pastorale Brieven waarmee de overlevering wordt aangegeven van het apostolisch geloof dat te bewaren is met de hulp van de Geest die in ons woont. Dit zogenaamde “depositum” is dus te beschouwen als het geheel van de apostolische Overlevering en als criterium voor de trouw aan de verkondiging van het Evangelie. En hier moeten wij voor de geest houden dat in de pastorale Brieven zowel als in heel het Nieuwe Testament, het woord “Schriften” expliciet het Oude Testament betekent, omdat de geschriften van het Nieuwe Testament er ofwel nog niet waren, ofwel nog geen deel uitmaakten van de canon van de Schriften. De Overlevering van de apostolische verkondiging, dit “depositum”, vormt dus de leessleutel om de Schrift, het Oude Noot van de vertaler: De gepubliceerde tekst van de audiëntie heeft “Nuovo Testamento”, Nieuwe Testament, maar gezien de redenering moet dat Oude Testament zijn. Testament te verstaan. In deze zin worden Schrift en Overlevering, Schrift en apostolische verkondiging als leessleutel, naast elkaar geplaatst en vloeien zij haast ineen, om samen “de grondsteen” te vormen, “door God gelegd” (2 Tim. 2, 19). De apostolische verkondiging, dat wil zeggen de Overlevering, is noodzakelijk om ons in te leiden in het begrijpen van de Schrift en er de stem van Christus uit te vernemen. Inderdaad is het nodig “zich vast te klampen aan het betrouwbare woord volgens de ontvangen onderrichting” (Tit. 1, 9) Noot van de vertaler: aldus letterlijk uit het Grieks, en ook het dichtst bij de door Paus Benedictus gehanteerde Italiaanse vertaling. De Willibrord heeft: “met zorg voor de overgeleverde rechtzinnige leer”.. Aan de basis van alles ligt juist het geloof in de historische openbaring van de goedheid van God, die in Jezus Christus concreet Zijn “liefde voor de mensen” heeft laten zien, een liefde die in de oorspronkelijke Griekse tekst veelbetekenend wordt gekwalificeerd als filanthropía (Tit. 3, 4) Vgl. 2 Tim. 1, 9-10 .

Alles tezamen is goed te zien dat de Christengemeenschap zich aan het vormen is in heel precieze termen, volgens een identiteit die niet alleen afstand neemt van niet passende interpretaties, maar die bovenal de eigen verankering bevestigt in essentiële geloofspunten, wat hier synoniem is voor “waarheid” (1 Tim. 2, 4.7)(1 Tim. 4, 3)(1 Tim. 6, 5)(2 Tim. 2, 15.18.25)(2 Tim. 3, 7.8)(2 Tim. 4, 4)(Tit. 1, 1.14). In het geloof blijkt de essentiële waarheid over wie wij zijn, wie God is, hoe wij moeten leven. En van deze waarheid (de waarheid van het geloof) wordt de Kerk “pijler en grondslag” genoemd (1 Tim. 3, 15). In ieder geval blijft zij een open gemeenschap, van met een universele geest, die voor alle mensen bidt van alle rangen en standen, opdat zij tot de kennis van de waarheid komen: “God wil, dat alle mensen gered worden en tot de kennis van de waarheid komen”, want “Jezus Christus heeft zichzelf als losprijs gegeven voor allen” (1 Tim. 2, 4-5). De zin voor de universaliteit is, ook al zijn de gemeenschappen nog zo klein, dan ook sterk en voor deze Brieven bepalend. Bovendien geldt van zo’n Christengemeenschap dat men er “niemand belastert” en men er “uiterst zachtmoedig is in de omgang met alle mensen” (Tit. 3, 2).

Dit is een eerste belangrijke component van deze Brieven: de universaliteit en het geloof als waarheid, als leessleutel voor de Heilige Schrift, het Oude Testament; en zo tekent zich een eenheid af van verkondiging en Schrift en een levend geloof dat open is naar allen en getuigt van de liefde van God voor allen.

Apostolische successie
Een andere typerende component van deze Brieven is hun bezinning op de ambtsstructuur van de Kerk. Zij zijn het die voor de eerste keer de onderverdeling in drieën bieden van bisschoppen, presbyters en diakens Vgl. 1 Tim. 3, 1-13 Vgl. 1 Tim. 4, 13 Vgl. 2 Tim. 1, 6 Vgl. Tit. 1, 5-9 . We kunnen in de pastorale Brieven gadeslaan hoe twee ambtsstructuren bij elkaar komen en hoe zo de definitieve vorm van het ambt in de Kerk tot stand komt. In zijn brieven uit de centrale jaren van zijn leven spreekt Paulus over “episcopen” (Fil. 1, 1) en over “diakens”: dat is de typische structuur van de Kerk die zich gevormd heeft in het tijdperk van de heidense wereld. De figuur van de Apostel blijft overheersend en daarom ontwikkelen zich de andere ambten slechts stap voor stap.
Waar we, zoals gezegd, in de Kerken die in de heidense wereld gevormd zijn, bisschoppen en diakens hebben en geen presbyters, zijn daarentegen in de Kerken die in de joods-christelijke wereld gevormd zijn de presbyters de overheersende structuur. Aan het eind van de pastorale Brieven verenigen zich de beide structuren: nu verschijnt de “episkopos” (de Bisschop) Vgl. 1 Tim. 3, 2 Vgl. Tit. 1, 7 steeds in het enkelvoud, vergezeld van het bepalend lidwoord “de episkopos”. En naast “de Bisschop” treffen we de presbyters en de diakens. Nog steeds is de figuur van de Apostel de allesbepalende, maar de drie Brieven zijn, zoals ik al heb gezegd, niet meer gericht aan gemeenschappen, maar aan personen: Timoteüs en Titus die enerzijds als Bisschoppen te voorschijn treden, maar van de andere kant op de plaats van de Apostel beginnen te staan.
Zo wordt hier in een beginfase datgene bemerkt wat later “apostolische successie” zal heten. Paulus zegt op een heel plechtige toon tegen Timoteüs: “Verwaarloos de genadegave niet die in u is en die u krachtens een profetenwoord werd geschonken onder handoplegging van de gezamenlijke presbyters” (1 Tim. 4, 14). We mogen zeggen dat in deze woorden al een eerste begin verschijnt van het sacramentele karakter van het ambt. En zo hebben we het wezenlijke van de katholieke structuur: Schrift en Traditie, Schrift en verkondiging, vormen een geheel, maar bij deze om zo te zeggen leerstellige structuur moet zich de persoonlijke structuur voegen, de opvolgers van de Apostelen, als getuigen van de apostolische verkondiging.
Belangrijk is het tenslotte op te merken dat in deze Brieven de Kerk zichzelf steeds in heel menselijke termen begrijpt, in analogie met het huis en het gezin. Met name in 1 Tim 3, 2-7 staan heel gedetailleerde instructies te lezen over de Bisschop, zoals: hij moet “onberispelijk zijn, de man van één vrouw (in de zin van: slechts één keer gehuwd), matig, verstandig, beschaafd, gastvrij, bekwaam om te onderwijzen, niet aan de wijn verslaafd, niet opvliegend, maar inschikkelijk, niet strijdlustig, niet geldzuchtig, iemand die zijn eigen huis goed bestuurt en met ernst en waardigheid gezag oefent over zijn kinderen. Als iemand zijn eigen huisgezin niet weet te besturen, hoe kan hij dan zorg dragen voor de Kerk van God? (...) Hij moet ook goed aangeschreven staan bij hen die niet tot de Kerk behoren” (1 Tim 3, 2-7). Hier moeten vooral worden onderstreept de belangrijke geschiktheid voor het onderrichten Vgl. 1 Tim. 5, 17 waarvan ook in andere passages echo’s aangetroffen worden Vgl. 1 Tim. 6, 2c Vgl. 2 Tim. 3, 10 Vgl. Tit. 2, 1 , en vervolgens een persoonlijke karakteristiek, die van het “vaderschap”. De Bisschop wordt inderdaad beschouwd als de vader van de Christengemeenschap (vgl. ook 1 Tim. 3, 15). De idee overigens van de Kerk als “huis van God” heeft haar wortels in het Oude Testament Vgl. Num. 12, 7 en staat hergeformuleerd in Hebr. 3, 2.6 Vgl. Hebr. 3, 2.6 , terwijl elders staat te lezen dat alle Christenen niet langer vreemdelingen en ontheemden zijn, maar medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God Vgl. Ef. 2, 19 .
Laten we de Heer en sint Paulus bidden opdat ook wij, als Christenen, onszelf met betrekking tot de samenleving waarin wij leven, steeds meer kunnen karakteriseren als leden van het “gezin van God”. En bidden wij ook dat de herders van de Kerk steeds meer vaderlijke gevoelens verwerven, tegelijkertijd teder en sterk, in de vorming van het Huisgezin van God, van de gemeenschap, van de Kerk.

Document

Naam: DE THEOLOGISCHE VISIE VAN DE PASTORALE BRIEVEN
19e catechese in de reeks over de H. Apostel Paulus
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 28 januari 2009
Copyrights: © 2009, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling uit het Italiaans, alineanummering en -verdeling: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test