• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

DE LEER VAN DE RECHTVAARDIGING - VAN DE WERKEN NAAR HET GELOOF
13e catechese in de reeks over de H. Apostel Paulus

Beste broeders en zusters,

op de weg die wij - onder de leiding van sint Paulus - aan het afleggen zijn, willen we nu stilstaan bij een thema dat centraal staat in de controversen van de eeuw van de Reformatie: de kwestie van de rechtvaardiging. Hoe wordt de mens in de ogen van God rechtvaardig? Toen Paulus onderweg naar Damascus de Verrezene ontmoette, had hij zich als mens al helemaal verwezenlijkt: onberispelijk op het punt van de rechtvaardigheid die uit de Wet voortvloeit Vgl. Fil. 3, 6 , overtrof hij veel van zijn leeftijdgenoten in het onderhouden van de Mozaïsche voorschriften en was hij ijverig in het onderhouden van de overleveringen van de voorvaderen Vgl. Gal. 1, 14 .

De verlichting van Damascus veranderde zijn bestaan radicaal: hij begon al de verdiensten die hij in zijn godsdienstige en uiterst integere loopbaan had verworven, te beschouwen als “vuilnis” in vergelijking met de alles overtreffende kennis van Jezus Christus: hij had begrepen dat, wat hem tot dan toe winst had geleken, in werkelijkheid ten overstaan van God verlies was en had daarom besloten heel zijn bestaan in te zetten op Jezus Christus Vgl. Fil. 3, 8 . De Brief aan de Filippensen biedt ons een ontroerend getuigenis van de overgang van Paulus van een gerechtigheid gebaseerd op de Wet en verworven door het onderhouden van de voorgeschreven werken, naar een gerechtigheid gebaseerd op het geloof in Christus: hij had begrepen dat, wat hem tot dan toe winst had geleken, in werkelijkheid ten overstaan van God verlies was en had daarom besloten heel zijn bestaan in te zetten op Jezus Christus Vgl. Fil. 3, 7 . De verborgen schat in de akker en de kostbare parel die hij had verworven en waarin hij alles wat hem nog restte had geïnvesteerd, dat waren niet de werken van de Wet, maar Jezus Christus, zijn Heer.

De relatie tussen Paulus en de Verrezene werd zo diep dat het hem ertoe bracht te stellen dat Christus niet meer alleen zijn leven was, maar dat leven voor hem Christus was, zozeer dat, om bij Hem te kunnen zijn zelfs het sterven winst werd Vgl. Fil. 1, 21 . Niet dat hij het leven minachtte, maar hij had begrepen dat voor hem het leven voortaan geen ander doel meer had en daarom voedde hij geen ander verlangen dan om zich bij Christus te kunnen voegen, als in een wedloop, om voor altijd bij Hem te kunnen zijn: de Verrezene was het begin en het doeleinde van zijn leven geworden, het motief en het einddoel van zijn wedloop.

Alleen de zorg om de rijping in het geloof van hen die hij had geëvangeliseerd en de zorg voor alle Kerken die hij had gesticht Vgl. 2 Kor. 11, 28 brachten hem er toe minder snel naar zijn Heer te rennen, en te wachten op de leerlingen opdat zij deze wedloop naar het doel samen met hem konden houden. Mocht hij zich in zijn vroegere observantie van de Wet op het punt van de morele integriteit niets te verwijten hebben gehad, voortaan, nu Christus hem had ingehaald, gaf hij er de voorkeur aan over zichzelf geen oordelen meer te vellenVgl. 1 Kor. 4, 3-4 , maar beperkte hij zich tot het voornemen om zo te lopen dat hij Hem zou veroveren door Wie hij eerst zelf veroverd, gegrepen was (Fil. 3, 12).

Het is juist door deze persoonlijke ervaring van de relatie met Jezus Christus, dat in het centrum van zijn Evangelie Paulus voortaan een onherleidbare tegenstelling plaatst tussen tweealternatieve wegen naar de rechtvaardigheid: de ene gebouwd op de werken van de Wet, de andere gefundeerd op de genade van het geloof in Christus. De keuze tussen de gerechtigheid op basis van de werken van de Wet enerzijds, en die op basis van het geloof in Christus anderzijds, wordt zo een van de overheersende motieven door al zijn Brieven heen: “Wij zelf zijn van geboorte Joden, geen zondige heidenen. Maar wij weten dat de mens niet gerechtvaardigd wordt door de Thora te onderhouden, maar alleen door het geloof in Christus Jezus. Ook wij zijn daarom in Christus Jezus gaan geloven, om de rechtvaardiging te verkrijgen door dit geloof, niet door de werken van de Wet; want door de werken van de Wet, zegt de Schrift, zal geen mens gerechtvaardigd worden” (Gal. 2, 15-16). En tot de Romeinen herhaalt hij: “Allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de goddelijke heerlijkheid. En allen worden zij om niet door zijn genade gerechtvaardigd, krachtens de verlossing die in Christus Jezus is” (Rom. 3, 23-24). En hij voegt er aan toe: “Ik beweer juist dat de mens gerechtvaardigd wordt door te geloven, niet door de wet te onderhouden Red.: letterlijk: niet door de werken van de wet” (Rom. 3, 28).

Luther vertaalde hier: “gerechtvaardigd door het geloof alleen”. Ik zal hier op terugkomen aan het einde van deze catechese. Eerst moeten we verduidelijken wat voor “Wet” dat is waar we van bevrijd zijn, en wat die “werken van de Wet” zijn die niet rechtvaardigen. Al in de gemeenschap van Korinte bestond die opvatting die vervolgens regelmatig zou terugkeren in de loop van de geschiedenis; ik bedoel de opvatting die hield dat het om de morele wet ging en dat de christelijke vrijheid dus bestond in de bevrijding van de ethiek. Zo circuleerde in Korinte de uitdrukking “πάντα μοι έξεστιν” - “pánta moi éxestin” (“alles is mij geoorloofd”) (1 Kor. 6, 12). Het is duidelijk dat deze interpretatie verkeerd is: de christelijke vrijheid is geen libertinisme, de bevrijding waar sint Paulus over spreekt is geen bevrijding van het doen van het goede.

Maar wat betekent dan die Wet, waar wij van bevrijd zijn en die niet redt? Voor Paulus, zoals trouwens voor al zijn tijdgenoten, betekent het woord Wet de Thora in heel haar totaliteit, dat wil zeggen de vijf boeken van Mozes. In de farizeïsche interpretatie - en dat was precies die welke Paulus gestudeerd had -, hield de Thora een complex aan gedragingen in vanaf de ethische kern tot aan de rituele en cultusobservanties die wezenlijk de identiteit van de rechtvaardige mens bepaalden. In het bijzonder de besnijdenis, de observanties rond het reine eten en in het algemeen de rituele reinheid, de regels rond het onderhouden van de sabbat, enz. Gedragingen die dikwijls onderwerp van gesprek zijn in de discussies tussen Jezus en zijn tijdgenoten.

Al deze observanties die een sociale, culturele en godsdienstige identiteit uitdrukken, waren bijzonder belangrijk geworden in de tijd van de hellenistische cultuur, beginnend vanaf de derde eeuw vóór Christus. Deze cultuur was de algemene cultuur van die tijd geworden en was een op het eerste gezicht rationele cultuur, een politheïstische en op het eerste gezicht ook tolerante cultuur. Maar zij vormde een krachtige druk richting de culturele uniformiteit en bedreigde aldus de identiteit van Israël, dat politiek gedwongen werd op te gaan in deze algemene identiteit van de hellenistische cultuur met als gevolg het verlies van de eigen identiteit, en daarmee ook het verlies van het kostbare erfgoed van het geloof van de voorvaderen, het geloof in de ene God en in de beloften van God.

Tegen deze culturele druk in, die niet alleen de Israëlitische identiteit bedreigde maar ook het geloof in de ene God en in zijn beloften, was het noodzakelijk een scheidsmuur op te werpen, een verdedigingsschild ter bescherming van het kostbare erfgoed van het geloof; en zo’n muur waren nu juist de joodse observanties en voorschriften. Paulus die deze observanties had leren kennen in precies deze functie ter verdediging van de gave van God, en van het erfgoed van het geloof in de ene God, heeft deze identiteit bedreigd gezien door de vrijheid van de christenen: daarom vervolgde hij hen.

Op het moment van zijn ontmoeting met de Verrezene begreep hij dat door de verrijzenis van Christus de situatie radicaal was veranderd. Door Christus werd de God van Israël, de enig ware God, de God van alle volkeren. De tussen Israël en de heidenen muur - zo zegt hij in de Brief aan de Efeziërs - was niet langer noodzakelijk: het is Christus die ons beschermt tegen het politheïsme en al zijn ontsporingen; het is Christus die ons met en in de enige God verenigt; het is Christus die onze ware identiteit garandeert temidden van de verscheidenheid van de culturen. De muur is niet langer nodig, onze gemeenschappelijke identiteit in de verscheidenheid van de culturen is Christus, en Hij is het die ons tot rechtvaardigen maakt. Rechtvaardig zijn wil eenvoudigweg zeggen met Christus zijn en in Christus. Andere observanties zijn niet langer noodzakelijk.

Daarom is de uitdrukking “sola fide” van Luther waar, mits men het geloof niet uitspeelt tegen de caritas, de liefde. Het geloof is: naar Christus kijken, zich aan Christus toevertrouwen, zich aan Christus hechten, zich aan Christus, aan Zijn leven conformeren. De vorm, het leven van Christus is echter de liefde; daarom is geloven: aan Christus gelijkvormig worden en in Zijn liefde binnengaan. In zijn Brief aan de Galaten, waarin hij zijn leer over de rechtvaardiging vooral heeft ontwikkeld, spreekt Paulus dan ook over het geloof dat werkzaam is door middel van de liefde Vgl. Gal. 5, 14 .

Paulus weet dat in de dubbele liefde voor God en voor de naaste heel de Wet aanwezig en vervuld is. Zo is in de gemeenschap met Christus, in het geloof dat de liefde schept, heel de Wet vervuld. Laten wij rechtvaardigen worden door binnen te gaan in de gemeenschap met Christus die de liefde is.

Hetzelfde zullen we trouwens zien in het Evangelie van a.s. zondag, Hoogfeest van Christus Koning. Het is het Evangelie van de Rechter die slechts één criterium hanteert: de liefde. Wat hij vraagt, is alleen dit: Heb je mij bezocht toen ik ziek was? Toen ik in de gevangenis zat? Heb je mij te eten gegeven toen ik honger had, heb je mij gekleed toen ik naakt was? Zo wordt over de gerechtigheid besloten op grond van de liefde. Aan het eind van dat Evangelie kunnen we als het ware zeggen: door de liefde alleen, sola caritas. Maar er is geen tegenspraak tussen het Evangelie en sint Paulus. Het is dezelfde visie, volgens welke de gemeenschap met Christus, het geloof in Christus liefde schept. En de liefde van haar kant is de verwezenlijking van de gemeenschap met Christus. Zo zijn wij rechtvaardigen door met Hem verenigd te zijn en op geen enkele andere wijze.

Aan het eind vert.: n.l. van deze catechese kunnen we alleen maar bidden dat de Heer ons helpt te geloven, werkelijk te geloven. Zo wordt geloven leven, eenheid met Christus, omvorming van ons leven. Omgevormd door Zijn liefde, door de liefde voor God en voor de naaste, kunnen we werkelijk rechtvaardig zijn in Gods ogen.
Zie ook:
Dossier over de Rechtvaardigingsleer

Document

Naam: DE LEER VAN DE RECHTVAARDIGING - VAN DE WERKEN NAAR HET GELOOF
13e catechese in de reeks over de H. Apostel Paulus
Soort: Paus Benedictus XVI - Audiëntie
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 19 november 2008
Copyrights: © 2008, Libreria Editrice Vaticana
Vertaling, alineaverdeling en -nummering: Past. Chr. van Buijtenen, pr.
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test