• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Geconfronteerd met de talloze ernstige bedreigingen van het leven die de moderne wereld kent, zou men zich overweldigd kunnen voelen door pure machteloosheid: het goede kan nooit machtig genoeg zijn om over het kwaad te zegevieren!

Op zulke momenten wordt het Volk van God, en daarin elke gelovige, opgeroepen om nederig en moedig zijn geloof in Jezus Christus te belijden, 'het Woord des levens' (1 Joh. 1, 1). Het Evangelie van het leven is niet enkel een overweging, hoe nieuw en diep ook, over het menselijk leven; evenmin is het louter een gebod, gericht op bewustwording en belangrijke gedragsverandering in de samenleving. Nog minder is het een bedrieglijke belofte van een betere toekomst. Het Evangelie van het leven is een concrete en personele werkelijkheid, want het bestaat in de verkondiging van de persoon zelf van Jezus. Jezus maakt zich bekend aan de apostel Thomas, en in hem aan iedere mens, met de woorden: 'Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven' (Joh. 14, 6). Op deze wijze ook sprak Hij over zichzelf tot Martha, de zuster van Lazarus: 'Ik ben de Verrijzenis en het Leven; wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven; wie leeft en gelooft in Mij, zal nooit sterven' (Joh. 11, 25-26). Jezus is de Zoon die van alle eeuwigheid het leven ontvangt van de Vader Vgl. Joh. 5, 26 en die onder de mensen is gekomen om hen deelgenoot te maken van deze gave: 'Ik ben gekomen opdat zij het leven zouden hebben, leven in overvloed' (Joh. 10, 10).

Door de woorden, de handelingen en de persoon zelf van Jezus ontvangt de mens de mogelijkheid om de hele waarheid te 'kennen' m.b.t. de waarde van het menselijk leven; uit deze 'bron' ontvangt hij in het bijzonder het vermogen om deze waarheid volmaakt te 'doen' Vgl. Joh. 3, 21 , dat wil zeggen om de verantwoordelijkheid tot het beminnen, dienen, verdedigen en bevorderen van het menselijk leven te aanvaarden en helemaal te vervullen.

In Christus wordt het Evangelie van het leven definitief verkondigd en volledig gegeven, dit is het Evangelie dat, reeds aanwezig in de Openbaring van het Oude Testament, en inderdaad geschreven in het hart van iedere man en vrouw, heeft weerklonken in ieder geweten 'vanaf het begin', vanaf de tijd van de schepping zelf, op zo'n manier dat, ondanks de negatieve gevolgen van de zonden, het ook door de menselijke rede gekend kan worden in zijn wezenlijke trekken. Zoals het Tweede Vaticaans Concilie leert:

Christus 'vervult de openbaring, brengt haar tot voltooiing en bekrachtigt haar met goddelijk getuigenis door geheel zijn tegenwoordigheid en verschijning, door woorden en werken, door tekenen en wonderen, vooral echter door zijn dood en glorievolle opstanding uit de doden en tenslotte door de zending van de Geest der waarheid: de openbaring namelijk, dat God met ons is om ons te bevrijden uit de duisternis van zonde en dood en ons op te wekken tot het eeuwige leven' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Goddelijke openbaring, Dei Verbum (18 nov 1965), 4.

En dus willen we met onze blik gericht op de Heer Jezus van Hem nog eens 'de woorden van God' (Joh. 3, 34) horen, en opnieuw mediteren over het Evangelie van het leven. De diepste en oorspronkelijke betekenis van deze meditatie over wat de openbaring ons zegt over het menselijk leven werd door de apostel Johannes in de openingswoorden van zijn Eerste Brief geschreven: 'Dat wat van het begin af bestond, dat wat wij gehoord en met eigen ogen gezien hebben, dat wat wij hebben aanschouwd en wat onze handen hebben aangeraakt, daarover spreken wij, over het Woord dat leven is. Want het leven is verschenen, het eeuwige leven dat bij de Vader was, heeft zich aan ons geopenbaard, wij hebben het gezien, wij getuigen ervan en maken het ook aan u bekend, opdat gij gemeenschap moogt hebben met ons'. (1 Joh. 1, 1-3).

In Jezus, het 'Woord van leven', wordt Gods eeuwige leven dus verkondigd en meegedeeld. Dankzij deze verkondiging en gave verwerft ons lichamelijke en geestelijke leven ook in zijn aardse fase zijn volle waarde en betekenis, want Gods eeuwige leven is in feite het doel waarheen de mens, terwijl hij in deze wereld leeft, gedreven en geroepen wordt. Zo sluit het Evangelie van het leven alles in dat de menselijke ervaring en zijn verstand ons vertellen over de waarde van het leven, door het te aanvaarden, te zuiveren, te verheffen en tot vervulling te brengen.

De volheid van de evangelieboodschap over het leven werd voorbereid in het Oude Testament. Vooral in de gebeurtenissen van de Exodus, het hart van de geloofservaring van het Oude Testament, ontdekte Israël de kostbaarheid van zijn leven in de ogen van God. Toen het tot uitroeiing gedoemd scheen wegens de doodsdreiging die over al zijn pasgeboren jongens hing Vgl. Ex. 1, 15-22 , openbaarde de Heer zichzelf aan Israël als zijn verlosser, met de macht om een toekomst te verzekeren voor hen die zonder hoop waren. Zo krijgt Israël het duidelijke besef dat zijn bestaan niet afhangt van een farao die het kan uitbuiten met despotische willekeur. Integendeel, Israëls leven is het voorwerp van Gods tedere en sterke liefde.

Bevrijding van slavernij is de schenking van een identiteit, de erkenning van een onvernietigbare waardigheid en het begin van een nieuwe geschiedenis, waarin de ontdekking van God en de ontdekking van zichzelf hand in hand gaan. De Exodus is een 'basiservaring' en een model voor de toekomst. Door die ervaring komt Israël tot het besef dat wanneer zijn bestaan bedreigd wordt, het zich slechts tot God hoeft te wenden met hernieuwd vertrouwen, om bij Hem effectieve hulp te vinden: 'Ik heb u gevormd, u bent mijn dienaar; o Israël, u zult door Mij niet vergeten worden' (Jes. 44, 21).

Zo vordert Israël, terwijl het de waarde leert kennen van zijn eigen bestaan als een volk, ook in zijn begrip van de betekenis en van de waarde van het leven zelf. Deze overweging wordt specifieker ontwikkeld in de wijsheidliteratuur, op basis van de dagelijkse ervaring van de onbestendigheid van het leven en van het besef van de bedreigingen die het belagen. Tegenover de tegenstellingen van het bestaan wordt het geloof uitgedaagd tot een antwoord.

Meer dan iets anders is het het probleem van het lijden dat het geloof uitdaagt en op de proef stelt. We moeten wel waardering hebben voor de universele smart van de mens, wanneer we mediteren over het boek Job. De onschuldige man, overweldigd door lijden, gaat zich, begrijpelijkerwijs, afvragen: 'Waarom is het licht gegeven aan hem die in ellende is, en leven aan wie bitter zijn in de ziel, die verlangen naar de dood, maar zij komt niet, en die er meer naar zoeken dan naar verborgen schatten?' (Job. 3, 20-21). Maar zelfs in de diepste duisternis dwingt het geloof naar de erkenning van het 'mysterie', vol vertrouwen en aanbidding: 'Ik weet dat U alles kunt en dat voor u niets onmogelijk is' (Job 42, 2).

De openbaring maakt de kiem van onsterfelijk leven die door de Schepper in het mensenhart is geplant steeds begrijpelijker worden, met steeds grotere helderheid: 'Hij heeft alles goedgemaakt op zijn tijd; ook heeft Hij eeuwigheid gelegd in hun hart' (Pred. 3, 11). Deze kiem van universaliteit en volheid wacht erop om zichtbaar te worden in de liefde en zich te vervullen, door Gods vrije gave, door deelname aan zijn eeuwige leven.

De ervaring van het volk van het Verbond wordt vernieuwd in de ervaring van alle 'armen' die Jezus van Nazareth ontmoeten. Net als God 'die houdt van wat leeft' Vgl. Wijsh. 11, 26 Israël had gerustgesteld temidden van het gevaar, zo verkondigt de Zoon van God nu, aan allen die zich bedreigd en belaagd voelen, dat hun levens ook een goed zijn waaraan de liefde van de Vader betekenis en waarde geeft.

'Blinden zien, lammen lopen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden staan op, aan de armen wordt de Blijde Boodschap verkondigd' (Lc. 7, 22). Met deze woorden van de profeet Jesaja Vgl. Jes. 35, 5-6 Vgl. Jes. 61, 1 , stelt Jezus de betekenis van zijn eigen zending voor: alwie lijden omdat hun bestaan op een of andere wijze 'verminderd' is, horen zo van Hem het goede nieuws van Gods bekommernis met hen en zij weten zeker dat ook hun leven een gave is, waarover zorgvuldig gewaakt wordt in de handen van de Vader Vgl. Mt. 6, 25-34 .

Bovenal zijn het de 'armen' tot wie Jezus spreekt in zijn verkondiging en in zijn daden. De menigten zieken en uitgestotenen, die Hem volgen en Hem zoeken Vgl. Mt. 4, 23-25 vinden in zijn woorden en daden geopenbaard dat hun leven grote waarde heeft en dat hun hoop op redding goed gefundeerd is.

Hetzelfde vindt vanaf het begin plaats in de zending van de Kerk. Wanneer de Kerk Jezus verkondigt als degene die 'weldoende rondging, allen genezend die onder de macht van de duivel stonden, want God was met Hem' (Hand. 10, 38), dan is zij er zich van bewust dat zij een boodschap van verlossing draagt die in al haar nieuwheid precies temidden van de ontberingen en de armoede van het menselijk leven weerklinkt. Petrus genas de kreupele die dagelijks aalmoezen vroeg bij de 'Schone Poort' van de tempel in Jeruzalem, met de woorden: 'Ik heb geen zilver en goud, maar wat ik heb geef ik je: in de Naam van Jezus Christus van Nazareth, wandel!' (Hand. 3, 6). Door het geloof in Jezus, 'de Leidsman ten leven' (Hand. 3, 15) herwint het leven dat verlaten ligt en om hulp roept, besef van eigenwaarde en volle waardigheid.

De woorden en daden van Jezus en van zijn Kerk zijn niet alleen bedoeld voor hen die ziek zijn en die lijden, of die op enigerlei wijze veronachtzaamd zijn door de maatschappij. Op een dieper vlak raken zij de ware betekenis van het leven van elke mens in zijn zedelijke en geestelijke dimensies. Alleen zij die erkennen dat hun leven getekend is door het kwaad van de zonde, kunnen in een ontmoeting met Jezus de Redder de waarheid en de authenticiteit van hun eigen bestaan ontdekken. Jezus zegt zelf: 'Zij die gezond zijn, hebben geen dokter nodig, maar de zieken; ik ben niet gekomen om de rechtvaardigen, maar de zondaars op te roepen tot berouw' (Lc. 5, 31-32).

Maar de mens die, zoals de rijke landeigenaar in de parabel, denkt dat hij zijn leven zeker kan stellen door het bezit van materiële goederen alleen, houdt zichzelf voor de gek. Het leven ontglipt hem, en hij zal het zeer spoedig verliezen, zonder zelfs zijn echte betekenis te hebben ingezien: 'Dwaas! Deze nacht wordt van jou je ziel opgeëist. En de dingen die je hebt bereid, van wie zullen die zijn?' (Lc. 12, 20).

Jezus eigen leven vinden we van het begin tot het eind, een bijzondere 'dialectiek' tussen de ervaring van de onzekerheid van het menselijk leven en de bevestiging van zijn waarde. Jezus' leven wordt getekend door onzekerheid, al vanaf het moment van zijn geboorte. Hij wordt zeker aanvaard door de rechtvaardigen, die instemmen met Maria's onmiddellijke en vreugdevolle 'ja' Vgl. Lc. 1, 38 . Maar er is ook, vanaf het begin, de afwijzing door een wereld die vijandig optreedt en het Kind zoekt om 'het te doden' (Mt. 2, 13); een wereld die onverschillig en onaangedaan blijft t.a.v. de vervulling van het mysterie van dit leven dat in de wereld komt: 'er was geen plaats voor hen in de herberg' (Lc. 2, 7). In deze tegenstelling tussen bedreigingen en onzekerheid aan de ene kant en de macht van Gods gaven aan de andere kant, straalt des te helderder de heerlijkheid door, die uitgaat van het huis in Nazareth en van de kribbe in Bethlehem: dit leven dat is geboren, betekent redding voor de hele mensheid Vgl. Lc. 2, 11 .

De tegenstellingen en risico's van het leven werden door Jezus volledig aanvaard: 'Ofschoon Hij rijk was, werd hij voor ons arm, opdat gij door zijn armoede rijk zoudt worden' (2 Kor. 8, 9). De armoede waarvan Paulus spreekt is niet alleen een beroving van goddelijke voorrechten, maar ook deelname aan de laagste en kwetsbaarste omstandigheden van het menselijk leven Vgl. Fil. 2, 6-7 . Jezus beleefde deze armoede zijn leven lang, tot aan het hoogtepunt van het Kruis: 'Hij vernederde zichzelf en werd gehoorzaam tot de dood, zelfs tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven elke naam is' (Fil. 2, 8-9). Juist door zijn dood openbaart Jezus heel de schittering en waarde van het leven, omdat zijn zelfgave aan het kruis de bron wordt van nieuw leven voor alle mensen Vgl. Joh. 12, 32 . Op zijn tocht temidden van tegenstellingen en zelfs in het verlies van zijn leven wordt Jezus geleid door de zekerheid dat zijn leven in handen is van de Vader. Aan het kruis kan Hij dan ook tot Hem zeggen: 'Vader, in uw handen beveel ik mijn geest' (Lc. 23, 46), d.w.z. mijn leven. Waarlijk groot moet de waarde van het menselijk leven zijn als de Zoon van God het aangenomen heeft en het gemaakt heeft tot middel voor de redding van de hele mensheid!

Het leven is altijd een goed. Dit is een instinctieve gewaarwording of zelfs een ervaringsfeit, en de mens wordt geroepen om de diepe reden daarvan te begrijpen.

Waarom is het leven een goed? Deze vraag vindt men overal in de Bijbel, en vanaf de allereerste bladzijde krijgt ze een krachtig en verbazingwekkend antwoord. Het leven dat God aan de mens geeft is geheel verschillend van het leven van alle andere levende schepselen, omdat de mens, ofschoon gevormd uit het stof van de aarde Vgl. Gen. 2, 7 Vgl. Gen. 3, 19 Vgl. Job 34, 15 Vgl. Ps. 103, 14 Vgl. Ps. 104, 29 , een manifestatie is van God in de wereld, een teken van zijn aanwezigheid, een spoor van zijn heerlijkheid Vgl. Gen. 1, 26-27 Vgl. Ps. 8, 6 . Dit is wat de H. Ireneüs van Lyon wilde benadrukken in zijn beroemde omschrijving: 'de levende mens is de heerlijkheid van God' H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. IV, 20, 7: SCh 100/2, 648-649: "Gloria Dei vivens homo". Aan de mens is een sublieme waardigheid gegeven, gebaseerd op de innige band die hem verenigt met zijn Schepper: in de mens schittert een weerspiegeling van de werkelijkheid van God zelf.

Het boek Genesis bevestigt dit wanneer het in het eerste scheppingsverslag de mens plaatst als hoogtepunt van Gods scheppende activiteit, als de bekroning ervan, aan het einde van een proces dat leidt van ordeloze chaos tot het meest volmaakte schepsel. Alles in de schepping is bestemd voor de mens en alles is aan hem onderworpen: 'Bevolk de aarde en onderwerp haar; en heers over (...) al wat leeft' (Gen. 1, 28); dit is Gods bevel aan de man en de vrouw. Een soortgelijke boodschap staat ook in het tweede scheppingsverslag: 'De Heer God nam de mens en plaatste hem in de tuin van Eden, om die te bewerken en te bewaken' (Gen. 2, 15). We zien hier een duidelijke bevestiging van het primaat van de mens over de dingen; deze zijn aan hem onderworpen en toevertrouwd aan zijn verantwoordelijke zorg, terwijl hij om geen enkele reden onderworpen kan zijn aan andere mensen en a.h.w. teruggebracht tot het niveau van een ding.

In de Bijbelse vertelling wordt het verschil tussen de mens en andere schepselen vooral getoond door het feit dat alleen de schepping van de mens gepresenteerd wordt als het resultaat van een speciale beslissing van de kant van God, een besluit om een bijzondere en specifieke verbintenis met de Schepper te te creëren: 'Laat ons de mens maken naar ons beeld en onze gelijkenis' (Gen. 1, 26). Het leven dat God de mens aanbiedt is een gave waardoor God iets van zichzelf deelt met zijn schepsel.

Israël zou uitvoerig zoeken naar de betekenis van deze bijzondere verbintenis tussen de mens en God. Ook het boek Sirach erkent dat God bij de schepping van de mensen 'hen begiftigde met kracht als die van hemzelf en hen maakte naar zijn eigen beeld' (Sir. 17, 3). De Bijbelse schrijver ziet als een deel van dit beeld niet alleen de heerschappij van de mens over de wereld, maar ook die geestelijke vermogens die het meest eigen zijn aan de mens, zoals het verstand, het onderscheid tussen goed en kwaad, en de vrije wil: 'Hij vulde hen met kennis en begrip en liet hen goed en kwaad zien' (Sir. 17, 7). Het vermogen om waarheid en vrijheid te verwerven zijn voorrechten van de mens geschapen naar het beeld van zijn Schepper, God, die de ware en rechtvaardige is Vgl. Deut. 32, 4 . Onder alle zichtbare schepselen, is alleen de mens 'in staat om zijn Schepper te kennen en te beminnen' 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 12. Het leven dat God de mens geeft is veel meer dan een louter bestaan in de tijd. Het is een streven naar de volheid van leven; het is de kiem van een bestaan dat de grenzen van de tijd zelf overstijgt: 'Want God schiep de mens voor de onbederfelijkheid en maakte hem naar het beeld van zijn eigen Wezen' (Wijsh. 2, 23).

scheppingsverhaal van de Jahwist drukt dezelfde overtuiging uit. Dit oude verhaal spreekt van een goddelijke adem die in de mens wordt geblazen opdat hij tot leven komt: 'De Heer God vormde de mens uit het stof van de grond en ademde in zijn neusgaten de levensadem en de mens werd een levend wezen' (Gen. 2, 7).

De goddelijke oorsprong van deze levensgeest verklaart de eeuwige onvoldaanheid die de mens voelt zolang hij op aarde is. Omdat hij door God gemaakt is, en in zich een onuitwisbaar merkteken van God draagt, wordt de mens van nature naar God toegetrokken. Wanneer hij de diepe verlangens van zijn hart hoort, moet iedere mens de woorden van waarheid tot de zijne maken die Sint Augustinus uitsprak: 'U hebt ons gemaakt voor Uzelf, o Heer, en ons hart is onrustig totdat het rust in U' H. Augustinus, Belijdenissen, Confessiones. I, 1: CCL 27, 1.

Vol betekenis is de onvoldaanheid die het leven van de mens in Eden tekent zolang zijn enige referentiepunt de wereld van planten en dieren is Vgl. Gen. 2, 20 . Alleen de verschijning van de vrouw, een wezen dat vlees is van zijn vlees en been van zijn beenderen Vgl. Gen. 2, 23 , en in wie de geest van God de Schepper ook levend is, kan de behoefte aan intermenselijke dialoog bevredigen die zo vitaal is voor het menselijk bestaan. In de ander, man of vrouw, is een weerspiegeling van God zelf, het definitieve doel en de vervulling van iedere persoon.

'Wat is de mens dat Gij aan hem denkt, en de zoon van de mens dat gij hem aanziet?', vraagt de Psalmist (Ps. 8,5). Vergeleken met de onmetelijkheid van het heelal is de mens erg klein; en toch openbaart dit contrast zijn grootheid: 'U hebt hem weinig minder gemaakt dan een god, en kroont hem met heerlijkheid en eer' (Ps. 8, 6). De heerlijkheid van God licht op in het gezicht van de mens. In hem vindt de Schepper zijn rust, zoals de H. Ambrosius met ontzag en bewogenheid opmerkt:

'De zesde dag is afgelopen en de schepping van de wereld eindigt met de vorming van dat meesterwerk dat de mens is, die de heerschappij uitoefent over alle levende schepselen en als het ware de kroon is van het heelal en de hoogste schoonheid van ieder geschapen wezen. We zouden waarachtig een eerbiedig stilzwijgen moeten bewaren, aangezien de Heer rustte van ieder werk dat Hij had ondernomen in de wereld. Hij rustte toen in de diepten van de mens. Hij rustte in de geest van de mens en in zijn denken; want Hij had de mens geschapen, begiftigd met rede, in staat Hem na te volgen, om te trachten zijn deugden te evenaren, om te dorsten naar hemelse genade. In deze gaven van Hem rust God uit, die gezegd heeft: 'Op wie zal ik rusten, tenzij op hem die nederig is, gebroken van hart en die beeft voor mijn woord?' (Jes. 66, 1-2). Ik dank de Heer onze God die een zo prachtig werk heeft geschapen om daarin zijn rust te vinden' H. Ambrosius van Milaan, Hexameron. VI, 75-76: CSEL 32, 260-261.

Helaas werd Gods verbazende plan overschaduwd door de verschijning van de zonde in de geschiedenis. Door de zonde rebelleert de mens tegen zijn Schepper en komt tenslotte tot het aanbidden van schepselen: 'Ze vervingen de waarheid over God door een leugen en aanbaden het schepsel liever dan de Schepper' (Rom. 1, 25). Als gevolg daarvan vervormt de mens niet alleen het beeld van God in zijn eigen persoon, maar wordt hij ook verleid tot beledigingen daartegen in andere, doordat hij gemeenschapsbetrekkingen vervangt door houdingen van wantrouwen, onverschilligheid, vijandigheid en zelfs moorddadige haat. Wanneer God niet erkend wordt als God, dan wordt de diepe betekenis van de mens verraden en wordt de gemeenschap onder de mensen aangetast.

In het leven van de mens licht Gods beeld opnieuw op en wordt het opnieuw geopenbaard in al zijn volheid met de komst van de Zoon van God in het menselijk vlees: 'Christus is het beeld van de onzichtbare God' (Kol. 1, 15), 'Hij weerspiegelt de heerlijkheid van God en is het evenbeeld van zijn wezen' (Heb. 1, 3). Hij is het volmaakte beeld van de Vader.

Het plan van het leven dat aan de eerste Adam werd gegeven, vindt tenslotte zijn vervulling in Christus. Waar de ongehoorzaamheid van Adam Gods plan voor het menselijk leven had vernield en verduisterd en de dood in de wereld had gebracht, is de verlossende gehoorzaamheid van Christus de bron van genade die over het mensenras is uitgestort, waarbij ze voor iedereen de poorten van het koninkrijk des levens ver open zet Vgl. Rom. 5, 12-21 . Zoals de apostel Paulus stelt: 'De eerste mens, Adam, werd een levend wezen, de laatste Adam werd een levendmakende Geest' (1 Kor. 15, 45).

Allen die zich ervoor inzetten Christus te volgen, ontvangen de volheid van leven: het goddelijke beeld wordt in hen hersteld, vernieuwd en tot volmaaktheid gebracht. Dit is het plan van God met de mensen: dat ze 'gelijkvormig zouden worden aan het beeld van zijn Zoon' (Rom. 8, 29). Alleen zo, in de schittering van dit beeld, kan de mens bevrijd worden van de slavernij van de afgodendienst, de verloren broederschap herstellen, en zijn ware identiteit herontdekken.

Het leven dat de Zoon van God aan de mensen kwam brengen kan niet worden teruggebracht tot een louter bestaan in de tijd. Het leven dat altijd 'in Hem' was, en dat is 'het licht van de mensen' (Joh. 1, 4), bestaat in het verwekt zijn door God en het delen in de volheid van zijn liefde: 'Aan allen die Hem opnamen, die geloofden in zijn Naam, gaf Hij de macht om kinderen van God te worden, die niet uit bloed, noch uit de wil van het vlees, noch uit de wil van de man, maar uit God geboren zijn' (Joh. 1, 12-13).

Soms verwijst Jezus naar dit leven dat Hij kwam brengen eenvoudig als naar 'het leven'; en Hij presenteert het geboren zijn uit God als een noodzakelijke voorwaarde als de mens het doel wil bereiken waarvoor God hem geschapen heeft: 'Tenzij iemand opnieuw geboren wordt, kan hij het rijk van God niet zien' (Joh. 3, 3). Dit leven te geven is het ware doel van Jezus' zending: Hij 'is degene die neerdaalt van de hemel en leven geeft aan de wereld' (Joh. 6, 33), aldus kan Hij naar waarheid zeggen: 'Wie mij volgt(...) zal het licht van het leven hebben' (Joh. 8, 12).

Op andere momenten spreekt Jezus van 'eeuwig leven': hier doet het bijvoeglijk naamwoord meer dan louter een perspectief oproepen dat verder dan de tijd reikt. Het leven dat Jezus belooft en geeft is 'eeuwig', omdat het een volle deelname is aan het leven van de 'Eeuwige'. Alwie gelooft in Jezus en in gemeenschap met Hem komt, heeft eeuwig leven Vgl. Joh. 3, 15 Vgl. Joh. 6, 40 , omdat hij van Jezus de enige woorden hoort die aan zijn bestaan de volheid van het leven openbaren en meedelen; dit zijn de 'woorden van eeuwig leven' die Petrus erkent in zijn geloofsbelijdenis: 'Heer, naar wie zouden wij gaan? U hebt woorden van eeuwig leven'; wij hebben geloofd en erkend dat U de Heilige van God bent' (Joh. 6, 68-69). Wanneer Hij tot de Vader spreekt in het hogepriesterlijk gebed, verklaart Jezus zelf waar het eeuwige leven in bestaat: 'Dit is het eeuwige leven: dat zij U kennen, de enige ware God, en Hem die U gezonden hebt, Jezus Christus' (Joh. 17, 3). God en zijn Zoon kennen is het mysterie aanvaarden van de liefhebbende gemeenschap van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest in zijn eigen leven, dat nu reeds openstaat naar het eeuwig leven omdat het deelt in het leven van God.

Het eeuwig leven is daarom het leven van God zelf en tegelijk het leven van de kinderen van God. Wanneer zij zich verbazen over deze onverwachte en onuitsprekelijke waarheid die tot ons komt van God in Christus, moeten gelovigen wel steeds opnieuw verbaasd zijn en grenzeloos dankbaar. In de woorden van de apostel Johannes kunnen zij zeggen: 'Zie, welke liefde de Vader ons gegeven heeft! Wij worden kinderen van God genoemd, en we zijn het ook!(...) Dierbaren, nu reeds zijn wij kinderen van God, en wat we zullen zijn, is nog niet geopenbaard. Maar wij weten dat, wanneer Hij verschijnt, wij als Hij zullen zijn, want wij zullen Hem zien zoals Hij is' (1 Joh. 3, 1-2).

Hier bereikt de christelijke waarheid omtrent het leven het hoogtepunt. De waardigheid van dit leven wordt niet alleen verbonden met zijn begin, met het feit dat het van God komt, maar ook met zijn eind, met zijn bestemming van gemeenschap met God in kennis van en liefde voor Hem. In het licht van deze waarheid preciseert en voltooit de H. Ireneüs zijn lofprijzing van de mens: 'de glorie van God', is, inderdaad, 'de levende mens', maar 'het leven van de mens bestaat in het zien van God' / 'Vita autem hominis visio Dei' H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. IV, 20, 7: SCh 100/2, 648-649..

Onmiddellijke gevolgen komen hieruit voort voor het menselijk leven in zijn aardse staat, waarin trouwens het eeuwig leven reeds ontkiemt en begint te groeien. Ofschoon de mens instinctief houdt van het leven, omdat het een goed is, zal deze liefde verdere inspiratie en kracht vinden en nieuwe breedte en diepte in de goddelijke dimensies van dit goed. Op dezelfde wijze kan de liefde die ieder menselijk wezen heeft voor het leven, niet zo maar herleid worden tot een wens om genoeg ruimte te hebben voor zelfontplooiing en voor het aangaan van relaties met anderen. Zij ontwikkelt zich eerder in een vreugdevol besef dat het leven de 'plaats' kan worden waar God zichzelf toont, waar we Hem ontmoeten en waar wij in gemeenschap met Hem komen. Het leven dat Jezus geeft vermindert in geen enkel opzicht de waarde van ons bestaan in de tijd; het neemt het op en richt het op zijn uiteindelijke bestemming: 'Ik ben de verrijzenis en het leven(...); wie leeft en gelooft in Mij zal nooit sterven' (Joh. 11, 25.26).

Document

Naam: EVANGELIUM VITAE
Over de waarde en de onaantastbaarheid van het menselijk leven
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 25 maart 1995
Copyrights: © 1995 Katholiek Nieuwsblad, Den Bosch
Bewerkt: 15 april 2022

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test