Paus Pius XII - 2 november 1954
Vol hartelijke instemming en met de hoogste vreugde ontvingen wij toen de encycliek Paus Leo XIII - Encycliek
Annum Sacrum
Over de toewijding van het Mensdom aan Allerheiligst Hart van Jezus -Tevens afkondiging Heilig Jaar 1900
(25 mei 1899) als een boodschap uit de hemel. Het was bij de aanvang van ons priesterschap, toen wij de altaardienst mochten beginnen en de woorden mochten spreken: "Ik zal opgaan tot het altaar Gods". (Ps. 43, 4) En met welk een vurige geestdrift verenigden wij ons hart met de gedachten en de bedoelingen, die de ziel waren van dat voorschrift, van die waarlijk providentiele daad van een paus, die de zichtbare en de verborgen wonden van zijn tijd met zulk een scherpen geestesblik doorschouwde. Wij kunnen dan ook niet anders dan onze dankbaarheid betuigen aan God, dat Hij het begin van ons pontificaat liet samenvallen met het jaar, waarin de herinnering gevierd wordt aan die gedenkwaardige gebeurtenis, die het eerste jaar van ons priesterschap zulk een zoete vreugde bracht. Met gretigheid grijpen wij deze gunstige omstandigheid aan, en ons aansluitend bij de heilige inzichten van onze voorganger willen wij van de hulde „aan de Koning der koningen en de Heer der heersers" Vgl. 1 Tim. 6, 15
Vgl. Openb. 19, 16
als het ware het Introïtusgebed maken van ons pontificaat. Die hulde moet het begin en het einddoel zijn van onze verlangens en onze hoop, van ons werk als leraar en herder, van ons dragen van de moeilijkheden en zorgen, die wij uitsluitend wijden aan de uitbreiding van het rijk van Jezus Christus.