• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Art. III

§ 1.Wil een vrome vereniging van gelovigen overeenkomstig de norm van de hier volgende artikelen de oprichting verkrijgen tot seculier instituut, dan moet zij, behalve aan de andere algemene eisen, voldoen aan de volgende (§ § 2-4) :

§ 2.Met betrekking tot de toewijding van hun leven en de beoefening van de christelijke volmaaktheid.

Degenen, die als leden in strikte zin deel willen uitmaken van de instituten, moeten behalve de oefeningen van godsvrucht en zelfverloochening, waarop iedereen, die naar een volmaakt christelijk leven streeft, zich moet toeleggen, bovendien krachtig hiernaar streven door de volgende middelen:

  • 10 Door de voor God afgelegde verbintenis van celibaat en volmaakte zuiverheid, die volgens de norm van de constituties bevestigd moet worden door een gelofte, een eed, of een in geweten verplichtende toewijding ;
  • 20 Door de gelofte of belofte van gehoorzaamheid, zodat zij zich, door een blijvende band gebonden, volledig toewijden aan God en aan de werken van naastenliefde of apostolaat, en zij praktisch genomen in alles en altijd onder het gezag en de leiding van hun overste staan volgens de norm van de constituties;
  • 30 Door de gelofte of belofte van armoede, krachtens welke zij van tijdelijke goederen geen vrij, maar een bepaald en beperkt gebruik hebben volgens de norm van de constituties.

§ 3.Met betrekking tot de inlijving van de leden in hun eigen instituut en de band, die daaruit ontstaat.

De band, die het seculiere instituut en zijn leden in strikte zin onderling dient te verbinden, moet zijn:

  • 1° Blijvend, volgens de norm van de constituties, ofwel eeuwig ofwel tijdelijk maar dan telkens na afloop te vernieuwen (c. 488, 10) ;
  • 20 Wederzijds en volledig, zodat, volgens de norm van de constituties, het lid zich volledig wegschenkt aan het instituut en het instituut de zorg en verantwoordelijkheid voor hem op zich neemt.

§ 4. Met betrekking tot de gemeenschappelijke residenties en huizen van de seculiere instituten.

Ofschoon de seculiere instituten het gemeenschappelijk leven of samenleving onder hetzelfde dak volgens de norm van het recht aan hun leden niet opleggen (art. II, § 1), moeten zij toch om redenen van noodzaak of nut één of meer gemeenschappelijke huizen hebben, waar:

  • 1° De oversten van het instituut, vooral de hoogste of de regionale overste, kunnen resideren;
  • 2° De leden kunnen verblijven of samenkomen om hun opleiding te ontvangen en te voltooien, om er de geestelijke oefeningen te houden en voor andere dergelijke doeleinden;
  • 31 De leden kunnen worden opgenomen, die wegens zwakke gezondheid of om andere omstandigheden niet voor zichzelf kunnen zorgen of voor wie het niet goed is, particulier thuis of bij anderen te wonen.

Document

Naam: PROVIDA MATER ECCLESIA
Over seculiere instituten
Soort: Paus Pius XII - Apostolische Constitutie
Auteur: Paus Pius XII
Datum: 2 februari 1947
Copyrights: © 1957, Ecclesia Docens 0769
Vert.: Dr. Chr. Oomen C.ss.R. en Dr. M. Mulders C.ss.R., in samenwerking met Drs. R. van Kempen C.ss.R.
Bewerkt: 3 februari 2022

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test