H. Paus Johannes Paulus II - 7 januari 2001
"De liefde rekent het kwade niet aan" (1 Kor. 13, 5). In deze woorden uit de Eerste brief aan de Korintiërs, wijst de apostel Paulus er nog eens op dat vergeving een van de hoogste vormen van naastenliefde is. De Veertigdagentijd is een uitgelezen tijdstip om de betekenis van deze deugd verder uit te diepen. Door het sacrament van de verzoening schenkt de Vader ons in Christus zijn vergeving en dat stimuleert ons om in liefde te leven en de ander niet als vijand maar als broeder te beschouwen.
Moge deze tijd van boetedoening en verzoening gelovigen ertoe aanzetten om te denken en te handelen in het teken van waarachtige naastenliefde, openstaand voor alle menselijke dimensies. Deze innerlijke houding zal maken dat zij de vruchten van de Geest zullen dragen Vgl. Gal. 5, 22
en met een nieuw hart materiële hulp zullen bieden aan hen die in nood verkeren.
Een hart dat is verzoend met God en met de naaste, is een groot hart. In de heilige dagen van de Veertigdagentijd krijgt het ‘offer’ een diepere betekenis, omdat het niet simpelweg inhoudt dat men iets van zijn eigen overschot weggeeft om zijn geweten te verlichten, maar dat men zich de ellende in de wereld werkelijk aantrekt. De aanblik van de lijdende gezichten en de miserabele omstandigheden van vele broeders en zusters dwingt ons ertoe om op zijn minst een deel van onze eigen goederen te delen met hen die het moeilijk hebben. De offergave in de Veertigdagentijd krijgt daarbij een extra grote betekenis als degene die het offer brengt, bevrijd is van wrok en onverschilligheid, obstakels die ons ver verwijderd houden van de gemeenschap met God en met onze broeders en zusters.
De wereld verwacht van christenen een consistent getuigenis van gemeenschap en solidariteit. In dit verband zijn de woorden van de apostel Johannes duidelijk genoeg: "Hoe kan de goddelijke liefde blijven in een mens die geld genoeg heeft, en toch zijn hart sluit voor de nood van zijn broeder?" (1 Joh. 3, 17).
Broeders en zusters! De heilige Johannes Chrysostomus wijst er in een commentaar op de woorden van de Heer op weg naar Jeruzalem op dat Christus de leerlingen niet onwetend houdt over de strijd en offers die hen te wachten staan. Hij benadrukt dat het moeilijk is om jezelf te verloochenen. Het is echter niet onmogelijk wanneer men kan rekenen op de hulp die God ons heeft geschonken "door de gemeenschap met de persoon van Christus". 1
Daarom wil ik in deze Veertigdagentijd alle gelovigen uitnodigen om vol vertrouwen en vurig tot de Heer te bidden, omdat dat ieder mens zijn genade opnieuw doet ervaren. Alleen die gave zal ons helpen om de liefde van Christus in ons leven op een steeds vreugdevollere en ruimhartiger manier te ontvangen en uit te dragen, een liefde die "zich niet kwaad laat maken, het kwade niet aanrekent, zich niet over onrecht verheugt, maar vreugde vindt in de waarheid" (1 Kor. 13, 5-6).
Met deze gevoelens bid ik om de bescherming van de Moeder van Genade voor heel de gemeenschap van gelovigen op onze weg door de Veertigdagentijd en schenk ik u allen mijn oprechte apostolische zegen.
Vanuit het Vaticaan, 7 januari 2001.
Paus Johannes Paulus II