• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Hoeveel vragen komen op deze plaats bij ons op! Steeds weer rijst de vraag: Waar was God in die dagen? Waarom heeft Hij gezwegen? Hoe kon Hij dit exces van vernietiging, deze triomf van het kwaad dulden? De woorden van psalm 44 komen ons voor de geest, de klacht van het lijdende Israël:

"Toch hebt u ons naar de jakhalzen verbannen en ons met diepe duisternis bedekt. ...
Toch worden wij dag na dag om u gedood en afgevoerd als schapen voor de slacht.
Word wakker, Heer, waarom slaapt u? Ontwaak! Verstoot ons niet voor eeuwig.
Waarom verbergt u uw gelaat, waarom vergeet u onze ellende, onze nood?
Onze ziel ligt neergebogen in het stof, ons lichaam vastgekleefd aan de aarde.
Sta op, kom ons te hulp, verlos ons, omwille van uw trouw.
" (Ps. 44, 20.23-27).

Deze noodkreet van het lijdende Israël tot God in tijden van uiterste benauwenis is tegelijkertijd de noodkreet van alle mensen, de hele geschiedenis door – gisteren, vandaag en morgen – die moeten lijden omwille van hun liefde voor God, voor de waarheid, voor het goede, en dat zijn er veel, ook vandaag de dag.

Wij zijn niet in staat het geheim van God te doorgronden – wij zien slechts fragmenten en wij zouden ons vergissen wanneer wij rechter willen zijn van God en de geschiedenis. Dan zouden we de mens niet verdedigen, doch slechts bijdragen tot zijn ondergang. Nee – in laatste instantie moeten we het houden bij de deemoedige doch indringende schreeuw tot God: Ontwaak! Vergeet uw schepsel, de mens, niet!

En onze schreeuw tot God moet tegelijkertijd een schreeuw zijn die doordringt in ons eigen hart, dat de verborgen aanwezigheid van God in ons mag ontwaken – dat zijn macht, die Hij in ons hart gelegd heeft, niet in ons verborgen en neergehouden wordt door het slijk van de zelfzucht, de angst voor de mensen, de onverschilligheid en het opportunisme. Laten we deze roep tot God richten en tot ons eigen hart, juist ook op dit moment van de geschiedenis, nu nieuwe rampen ons bedreigen, nu opnieuw alle donkere machten uit het hart van de mens lijken op te stijgen – aan de ene kant het misbruik van God om blind geweld tegen onschuldigen te rechtvaardigen, aan de andere kant het cynisme dat God niet kent en het geloof in Hem bespot.

Wij roepen tot God, dat Hij de mensen tot inzicht mag brengen, zodat ze erkennen dat geweld geen vrede sticht, doch alleen nog meer geweld oproept – een spiraal van verwoesting, die uiteindelijk alleen verliezers kent. De God in wie wij geloven is een God van de rede – een rede die zeker geen neutrale wiskunde van het heelal vormt, maar die één is met de liefde, met het goede. Wij bidden tot God en wij roepen tot de mens opdat deze rede, de rede van de liefde, van het inzicht in de kracht van de verzoening en van de vrede, de overhand mag krijgen in de ons omringende dreigingen van onverstand of van een valse, van God gescheiden rede.

De plaats waar wij staan is een plaats van herinnering, de plaats van de sjoa. Het verleden is niet slechts verleden. Het gaat ons aan en toont ons welke wegen we niet mogen gaan en welke we moeten zoeken. Net zoals Johannes Paulus II ben ik langs de stenen gegaan waarop in verschillende talen aan de slachtoffers van deze plaats wordt herinnerd: in het WitRussisch, Tsjechisch, Duits, Frans, Grieks, Hebreeuws, Kroatisch, Italiaans, Jiddisch, Hongaars, Nederlands, Noors, Pools, Russisch, Romani, Roemeens, Slowaaks, Servisch, Oekraïens, Sefardisch (Ladino) en Engels.

Al deze gedenkstenen getuigen van menselijk leed, doen ons het cynisme bevroeden van de macht die mensen als dingen behandelde en hen niet erkende als personen waarin Gods evenbeeld oplicht. Sommige stenen nodigen uit tot een bijzondere herdenking. Neem de gedenksteen met het Hebreeuwse opschrift. De machthebbers van het Derde Rijk wilden het joodse volk in zijn geheel vertrappen, het van de landkaart van de mensheid vagen. Toen werden de woorden van de psalmist op vreselijke wijze werkelijkheid: “Men beschouwt ons als schapen voor de slacht.” Ten diepste wilden die bruten met het uitroeien van dit volk de God doden die Abraham geroepen heeft, die gesproken heeft op de Sinaï en daar de eeuwig geldende oriëntatiepunten voor de mensheid heeft vastgesteld.

Als dit volk, alleen door te bestaan, een getuigenis is van de God die tot de mens gesproken heeft en hem onder zijn hoede heeft genomen, dan moet die God nu eindelijk eens dood zodat de heerschappij nog slechts aan de mens behoort – precies aan hen die zichzelf de sterken achtten, die erin geslaagd waren zich van de wereld meester te maken. Met de vernietiging van Israël, met de sjoa, moest in laatste instantie ook de wortel van het christelijk geloof uitgerukt worden en definitief vervangen door het nieuwe, zelfgemaakte geloof in de heerschappij van de mens, van de sterke. Dan is er de steen met het Poolse opschrift: men wilde op de allereerste plaats de intelligentsia van Polen doen verdwijnen en daarmee het volk als autonoom historisch subject verdelgen, om het, voor zover het nog bleef bestaan, te vernederen tot een volk van slaven. 

Document

Naam: IN HET CONCENTRATIE- EN VERNIETIGINGSKAMP AUSCHWITZ - BIRKENAU
Soort: Paus Benedictus XVI - Toespraak
Auteur: Paus Benedictus XVI
Datum: 28 mei 2006
Copyrights: © 2006, Libreria Editrice Vaticana / Nederlandse Bisschoppenconferentie
Vert.: : dr. N. Stienstra; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 5 mei 2021

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test