
15 augustus 1997
De heilige Schrift begint met de schepping van man en vrouw naar Gods beeld en gelijkenis, Vgl. Gen. 1, 26-27 en eindigt met het visioen van de "bruiloft van het Lam" (Openb. 19, 9). Vgl. Openb. 19, 7 Van het begin tot het einde spreekt de Schrift over het huwelijk en zijn "mysterie", over zijn instelling en de zin die God eraan gegeven heeft, over zijn oorsprong en doel, over de verschillende verwezenlijkingen ervan in de loop van de heilsgeschiedenis, over de problemen die voortkomen uit de zonde en over de vernieuwing van het huwelijk "in de Heer" (1 Kor. 7, 39), in het Nieuwe Verbond van Christus en de Kerk. Vgl. Ef. 5, 31-32
"De intieme levens- en liefdesgemeenschap die in het gehuwde paar gestalte krijgt, is door de Schepper ingesteld en verrijkt met haar eigen wetten. (...) God zelf is de stichter van het huwelijk". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 48. § 1, vert. uit Lat. De roeping tot het huwelijk is gegrift in de natuur zelf van man en vrouw, zoals zij voortgekomen zijn uit de hand van de Schepper. Het huwelijk is geen louter menselijke instelling, ondanks de veelvuldige variaties die het in de loop der eeuwen gekend heeft in de verschillende culturen, sociale structuren en geesteshoudingen. Men mag bij deze verscheidenheid de gemeenschappelijke en blijvende kenmerken niet uit het oog verliezen. Hoewel niet overal de waardigheid van deze instelling met dezelfde helderheid aan het licht treedt, Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 47. § 2. bestaat er toch in alle culturen een zeker gevoel voor de verhevenheid van de huwelijksband. "Want het welzijn van de persoon en van de menselijke en christelijke gemeenschap hangt nauw samen met een gezond huwelijks- en gezinsleven". 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 47. § 1, vert. uit Lat.
God die de mens uit liefde in het bestaan heeft geroepen, heeft hem ook geroepen tot de liefde - een fundamentele roeping die iedere mens is aangeboren. De mens is immers geschapen naar Gods beeld en gelijkenis Vgl. Gen. 1, 27 en God is zelf liefde. Vgl. 1 Joh. 4, 8.16 Omdat God de mens als man en vrouw geschapen heeft, wordt hun wederzijdse liefde een afbeelding van de absolute en onvergankelijke liefde van God voor ieder mens. De mens is goed, heel goed, in de ogen van de Schepper. Vgl. Gen. 1, 31 En deze liefde waar Gods zegen op rust, is bestemd om vruchtbaar te zijn en zich te verwezenlijken in de gemeenschappelijke opdracht om de schepping in stand te houden: "God zegende hen en God sprak tot hen: 'Weest vruchtbaar en wordt talrijk; bevolkt de aarde en onderwerpt haar"' (Gen. 1, 28).
De heilige Schrift bevestigt dat man en vrouw voor elkaar geschapen Zijn: "Het is niet goed dat de mens alleen blijft" (Gen. 2, 18). De vrouw, "vlees van zijn vlees" Vgl. Gen. 2, 23 , zijn gelijke die hem heel nabij is, wordt door God aan de man gegeven als een "hulp" Vgl. Gen. 2, 18 , zodat zij "God van wie onze hulp zal komen", Vgl. Mt. 19, 4 tegenwoordig stelt. "Zo komt het dat een man zijn vader en moeder verlaat en zich zo aan zijn vrouw hecht, dat zij één vlees worden" (Gen. 2, 24). Dat hiermee een onvergankelijke eenheid van beider leven bedoeld wordt, brengt de Heer ons in herinnering door te zeggen dat dit "in het begin" het plan van de Schepper was Vgl. Ps. 121, 2 : "Zij zijn dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn" (Mt. 19, 6).
Ieder mens ervaart het kwade, om zich heen en in zichzelf. Deze ervaring kenmerkt ook de verhouding tussen man en vrouw. Te allen tijde werd hun band bedreigd door tweedracht, heerszucht, ontrouw, jaloersheid en botsingen die kunnen leiden tot haat en breuk. Deze wanorde kan, afhankelijk van de culturen, tijden of individuen, meer of minder scherp tot uitdrukking komen en wordt al dan niet overwonnen; toch blijkt het om een algemeen gegeven te gaan.
Vanuit het geloof beschouwd, komt deze wanorde -die wij met droefheid vaststellen- niet voort uit de aard zelf van man en vrouw, noch uit de aard van hun verhouding, maar uit de zonde. De eerste zonde was een breuk met God, het eerste gevolg ervan was de breuk in de oorspronkelijke gemeenschap van man en vrouw. Hun verhouding raakt verwrongen door wederzijdse verwijten; Vgl. Gen. 3, 12 de wederzijdse aantrekking, die een gave van de Schepper is, Vgl. Gen. 2, 22 verandert in een verhouding van heerschappij en begeerte; Vgl. Gen. 3, 16 de mooie roeping van man en vrouw om vruchtbaar te zijn, zich te vermenigvuldigen en de aarde te onderwerpen, Vgl. Gen. 1, 28 wordt belast met de pijn van het baren en de moeite van de kostwinning. Vgl. Gen. 3, 16-19
De scheppingsorde blijft echter bestaan, al is zij ernstig verstoord. Om van de wonden van de zonde te genezen, hebben man en vrouw de hulp nodig van de genade, die God hun in zijn oneindige barmhartigheid nooit geweigerd heeft. Vgl. Gen. 3, 21 Zonder deze hulp kunnen man en vrouw er niet toe komen, de levenseenheid te verwezenlijken waartoe God hen "in het begin" geschapen heeft.
God heeft in zijn barmhartigheid de zondige mens niet aan zijn lot overgelaten. De straffen die op de zonde volgen, "de lasten van de zwangerschap" Vgl. Gen. 3, 16 , de arbeid "in het zweet des aanschijns" (Gen. 3, 19), zijn ook een geneesmiddel dat de gevolgen van de zonde beperkt. Het huwelijk is na de zonde een hulp geworden om te verhinderen dat men zich in zichzelf keert, om het egoïsme en de genotzucht te overwinnen en zich open te stellen voor de ander, voor onderlinge steun, voor zelfgave.
Het zedelijk besef omtrent de eenheid en onontbindbaarheid van het huwelijk heeft onder de pedagogie van de oude Wet een ontwikkeling gekend. De polygamie van de aartsvaders en koningen wordt nog niet uitdrukkelijk verworpen. Toch streeft de Wet van Mozes ernaar de vrouw tegen de willekeurige heerszucht van de man te beschermen, al draagt ook deze Wet, naar het woord van de Heer, de sporen van "de hardheid van het hart" van de mens. Daarom laat Mozes ook toe dat men zijn vrouw wegzendt. Vgl. Mt. 19, 8 Vgl. Deut. 24, 1
De profeten zien de exclusieve en trouwe huwelijksliefde als een beeld van het verbond van God met Israël Vgl. Hos. 1-3 en hebben hiermee het geweten van het uitverkoren volk voorbereid op een verdiept inzicht van de eenheid en onontbindbaarheid van het huwelijk. Vgl. Mal. 2, 13-17 De boeken Ruth en Tobit bevatten ontroerende getuigenissen over de verheven zin van het huwelijk, over trouw en genegenheid van echtgenoten. De Overlevering heeft het Hooglied steeds beschouwd als een onvergelijkelijke uitdrukking van menselijke liefde, voor zover die een weerspiegeling is van de liefde van God, een liefde die "sterk is als de dood", die "geen stortvloed van water kan blussen" (Hoogl. 8, 6-7).
Het huwelijksverbond tussen God en zijn volk Israël was een voorbereiding op het Nieuwe en eeuwige Verbond. Hierin. heeft de Zoon van God, door mens te worden en zijn leven te geven, zich in zekere zin verenigd met heel de mensheid die door Hem verlost is Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk in de wereld van deze tijd, Gaudium et Spes (7 dec 1965), 22 en zodoende bereidt Hij de "bruiloft van het Lam" voor (Openb. 19, 7.9).
In het begin van zijn openbaar leven verrichtte Jezus, op verzoek van zijn Moeder, zijn eerste teken tijdens een bruiloftsfeest. Vgl. Joh. 2, 1-11 De Kerk kent een groot belang toe aan de aanwezigheid van Jezus op de bruiloft van Kana. Zij beschouwt dit als een bevestiging van de goedheid van het huwelijk; hiermee wordt aangekondigd dat het huwelijk voortaan een werkzaam teken zal zijn van de aanwezigheid van Christus.
In zijn prediking onderrichtte Jezus ondubbelzinnig de oorspronkelijke betekenis van de vereniging van man en vrouw, zoals de Schepper het in het begin gewild had: de toestemming van Mozes om een vrouw weg te zenden, was een toegeven aan de hardheid van het hart; Vgl. Mt. 19, 8 de huwelijksband tussen man en vrouw is onontbindbaar: God zelf heeft die gesloten: "Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden" (Mt. 19, 6).
Deze ondubbelzinnige nadruk op de onontbindbaarheid van de huwelijksband heeft menigeen onthutst en kan overkomen als een eis die niet te verwezenlijken is. Toch heeft Jezus de gehuwden niet beladen met een ondraaglijke last, Vgl. Mc. 8, 34 die zwaarder zou zijn dan de Wet van Mozes. Wanneer Hij de oorspronkelijke scheppingsorde die door de zonde verstoord was, komt herstellen, geeft Hij ook zelf de kracht en de genade om het huwelijk in deze nieuwe dimensie van het rijk Gods te beleven. Door Christus te volgen, zichzelf te verloochenen, hun kruis op te nemen, zullen de gehuwden de oorspronkelijke betekenis van het huwelijk kunnen "begrijpen" en er met de hulp van Christus naar kunnen leven. Vgl. Mt. 19, 11 Deze genade van het christelijk huwelijk is een vrucht van het kruis van Christus, bron van elk christelijk leven.
De apostel Paulus maakt dit duidelijk wanneer hij zegt: "Mannen, hebt uw vrouw lief, zoals Christus de Kerk heeft liefgehad: Hij heeft zich voor haar overgeleverd om haar te heiligen" (Ef. 5, 25-26), en er meteen aan toevoegt: "'Daarom zal de man vader en moeder verlaten om zich te hechten aan zijn vrouw, en die twee zullen een vlees zijn'. Dit geheim heeft een diepe zin. Ik voor mij betrek het op Christus en de Kerk" (Ef. 5, 31-32).
Heel het christelijk leven draagt het merkteken van de huwelijksliefde tussen Christus en de Kerk. Reeds het doopsel, intrede in het Volk van God, is een bruidsmysterie: het is als het ware het waterbad voor het huwelijk Vgl. Ef. 5, 26-27 dat aan het bruiloftsmaal, de Eucharistie, voorafgaat. Het christelijk huwelijk wordt op zijn beurt werkzaam teken, Sacrament, van het verbond tussen Christus en de Kerk. Het huwelijk tussen gedoopten is waarlijk een Sacrament van het Nieuwe Verbond, omdat het de genade ervan aanduidt en meedeelt. Vgl. Concilie van Trente, 24e Zitting - Leer over het Sacrament van het Huwelijk, Sessio XXIV - Doctrina de sacramento matrimonii (11 nov 1563), 4. DS 1800 Vgl. Wetboek, Codex van het Canonieke recht, Codex Iuris Canonici (25 jan 1983), 1055. § 2
Christus is het centrum van elk christelijk leven. De band met Hem heeft voorrang boven alle andere relaties van familiale of sociale aard. Vgl. Lc. 14, 26 Vgl. Mc. 10, 28-31 Vanaf het ontstaan van de kerk zijn er mannen en vrouwen geweest die afstand hebben gedaan van het grote goed dat het huwelijk is, om het Lam te volgen waar het ook gaat, Vgl. Openb. 14, 4 om enkel zorg te hebben voor de zaak van de Heer, hoe zij de Heer kunnen behagen, Vgl. 1 Kor. 7, 32 om de naderende Bruidegom tegemoet te trekken. Vgl. Mt. 25, 6 Christus zelf heeft sommigen uitgenodigd Hem in deze levenswijze, waarvan Hij het voorbeeld is, na te volgen:
Er zijn onhuwbaren die zo uit de moederschoot zijn voortgekomen; en er zijn onhuwbaren die door de mensen zo gemaakt zijn; maar ook zijn er onhuwbaren die zichzelf onhuwbaar hebben gemaakt omwille van het rijk der hemelen. Wie bij machte is dit te begrijpen hij begrijpe het (Mt. 19, 12).
De maagdelijkheid omwille van het rijk der hemelen is een ontplooiing van de doopgenade, een machtig teken dat de voorrang van de band met Christus en de vurige verwachting van zijn wederkomst uitdrukt, een teken ook dat eraan herinnert dat het huwelijk iets is van dit tijdperk dat voorbijgaat. Vgl. Mc. 12, 25 Vgl. 1 Kor. 7, 31
Zowel het Sacrament van het Huwelijk als de maagdelijkheid omwille van het rijk Gods komen allebei van de Heer zelf. Hij zelf geeft aan deze levensstaten hun zin en schenkt de onontbeerlijke genade om ze volgens zijn wil te beleven. Vgl. Mt. 19, 3-12 De waardering voor de maagdelijkheid omwille van het rijk der hemelen Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 42 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de vernieuwing en aanpassing van het religieuze leven, Perfectae Caritatis (28 okt 1965), 12 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965), 10 en de christelijke betekenis van het Huwelijk zijn niet te scheiden en begunstigen elkaar wederzijds:
Wie het Huwelijk geringschat, haalt ook de eer van de maagdelijkheid naar beneden; wie daarentegen het Huwelijk prijst verhoogt de bewondering en de schittering die aan de maagdelijkheid toekomen. (...) Datgene wat slechts goed schijnt in vergelijking met een kwaads is per slot van rekening geen groot goed; maar wat beter is dan datgene wat allen als goed erkennen is zeker goed in overtreffende mate. H. Johannes Chrysostomos, De Virginitate. 10,1, vert. uit Gr. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 16