Alfonso Kardinaal López Trujillo - 8 december 1995
In het licht van de Verlossing en de wijze waarop opgroeiende jeugd en jonge mensen worden gevormd, is de deugd van kuisheid gelegen in zelfbeheersing – een kardinale deugd die door de genade van het doopsel is verheven en verrijkt. Kuisheid moet dus niet worden verstaan als een repressieve houding, maar integendeel als de glans en het tijdelijk beheer van de kostbare en rijke gave van de liefde, bedoeld voor de zelfgave die in ieders specifieke roeping concreet vorm krijgt. Kuisheid betekent dus “geestelijk energie, die de liefde weet te verdedigen tegen de gevaren van egoïsme en van agressiviteit en haar weer te doen groeien naar haar volledige verwerkelijking”. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Postsynodale Apostolische Exhortatie, Over de taken van het christelijk gezin in de wereld van deze tijd, Familiaris Consortio (22 nov 1981), 33
In de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997) wordt kuisheid aldus beschreven en in zekere zin gedefinieerd: “Kuisheid betekent de geslaagde integratie van de seksualiteit in de persoonlijkheid en wijst daarmee op de innerlijke eenheid van de mens als lichamelijk en geestelijk wezen.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2337