Paus Franciscus - 19 mei 2021
De tijd van dorheid vraagt een andere aanpak. De Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997) geeft volgende beschrijving: “De dorheid maakt deel uit van het inwendig gebed, waarin aan het hart iedere smaak voor gedachten, herinneringen en gevoelens, zelfs spirituele, ontzegd wordt.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2731 Dorheid doet denken aan Goede Vrijdag, aan de nacht en aan Stille Zaterdag telkens momenten dat Jezus er niet is, want Hij is in het graf. Jezus is dood: we zijn alleen. Dat is kerngedachte van de dorheid. Vaak onderkennen we de redenen van de dorheid niet. Ze kan van onszelf afhangen, maar ook van God die bepaalde toestanden van uitwendig of inwendig leven toelaat. Of, soms kan het een kwestie zijn van hoofdpijn of van maagpijn die verhindert tot gebed te komen. Vaak kennen we de redenen niet echt. De meesters van het geestelijk leven beschrijven de geloofservaring als een voortdurende afwisseling van momenten van troost en momenten van droefheid. Ogenblikken waarop alles makkelijk is terwijl andere momenten getekend worden door een grote zwaarte. Vaak vragen we, als we een bekende ontmoeten, “Hoe gaat het?” – “Vandaag ben ik down”. Vaak zijn we “down”, wat zeggen wil dat we gevoelloos zijn, troosteloos, we hebben het moeilijk. Dat zijn de grijze dagen, en die zijn er in overvloed in het leven. Gevaarlijk is het wanneer men een onberoerd (grijs) hart heeft. Dat is erg. Dan kan men niet bidden. Met een onberoerd hart kan men geen troost voelen! Geestelijk dorheid kan men met een onberoerd hart niet verdragen. Het hart moet open en lichtend zijn zodat het licht van de Heer kan binnenkomen. En als het niet binnenkomt, moet men hoopvol wachten. Maar het niet met grijsheid afsluiten.