Paus Franciscus - 3 juni 2020
“Maar het gebed van Abraham manifesteert zich allereerst in daden: in stilzwijgen richt hij bij elke pleisterplaats een altaar op voor de Heer.” Catechismus-Compendium, Catechismus van de Katholieke Kerk (15 aug 1997), 2570 Abraham bouwt geen tempel, maar verspreidt langs zijn pad stenen die herinneren aan het voorbijgaan van God. Een verrassende God, zoals wanneer Hij aanwezig komt in de gedaante van drie bezoekers die door hem en Sara met zorg worden ontvangen en die hen de geboorte aankondigen van zoon Izaäk. Vgl. Gen. 16, 1-15 Abraham was honderd, zijn vrouw negentig, min of meer. Zij geloofden en vertrouwden op God. En Sara zijn vrouw werd zwanger. Op die leeftijd! Dat is de God van Abraham, onze God, die ons vergezelt.
Zo wordt Abraham vertrouwelijk met God, bekwaam ook om met Hem te discussiëren, maar altijd trouw. Hij spreekt en discussieert met God. En dan de grootste beproeving, wanneer God hem vraagt zijn enige zoon Izaäk op te offeren, het kind van de hoge ouderdom, de enige erfgenaam. Dan beleeft Abraham het geloof als een drama, als tastend gaan door de nacht, ditmaal onder een hemel zonder sterren. En dat gebeurt ook ons vaak, in de duisternis lopen, maar met geloof. En God zelf stopt de hand van Abraham die reeds klaar was om toe te slaan. God zag zijn volledige overgave. Vgl. Gen. 22, 1-19