UT UNUM SINTOver de inzet voor de oecumene
(Soort document: H. Paus Johannes Paulus II - Encycliek)
H. Paus Johannes Paulus II -
25 mei 1995
De eenheid van de hele verstrooide mensheid is Gods wil. Om die reden heeft Hij zijn Zoon gezonden opdat deze door zijn dood en zijn verrijzenis ons zijn Geest van liefde zou schenken. Aan de vooravond van zijn offerdood aan het Kruis bidt Jezus zelf tot de Vader voor zijn leerlingen en voor allen die in Hem geloven, dat zij
één mogen zijn, een levende gemeenschap. Dit is niet alleen de basis van de plicht, maar ook van de verantwoordelijkheid tegenover God en zijn plan, die allen dragen die door het doopsel ledematen worden van het Lichaam van Christus, een Lichaam waarin zich de verzoening en de gemeenschap geheel moeten verwerkelijken. Hoe is het mogelijk om verdeeld te blijven als we toch met de doop "begraven" zijn in de dood van de Heer, dat wil zeggen in de handeling zelf waarin God door zijn Zoon de muren van de scheiding heeft neergehaald? Verdeeldheid "is zeker duidelijk in strijd met de bedoeling van Christus; zij is ook een ergernis voor de wereld en de hoogverheven taak van de Evangelieverkondiging aan alle schepselen wordt erdoor geschaad".
2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de oecumene, Unitatis Redintegratio (21 nov 1964), 1