2 maart 2018
Vanaf de vierde eeuw ontstonden er kerkelijke provincies die de communio tussen de lokale Kerken tot uitdrukking brachten en bevorderden, en die werden voorgezeten door een metropoliet. Met het oog op gemeenschappelijk overleg werden provinciale synoden gehouden als specifieke instrumenten voor de uitoefening van kerkelijke synodaliteit.
Canon 6 van het concilie van Nicea (325) erkende de pre-eminentie (....) en het regionale primaatschap van de bisschopszetels van Rome, Alexandrië en Antiochi. 1e Concilie van Nicea, Canons, Canones (25 juli 325), 6. Conciliorum Oecumenicorum Decreta, Bologna, 2002, pp. 8-9. In het eerste concilie van Constantinopel (381) werd de zetel van Constantinopel toegevoegd aan de lijst van belangrijkste zetels: Canon 3 kent aan de bisschop van deze stad een erevoorzitterschap toe na de bisschop van Rome. 1e Concilie van Constantinopel, Canones, 3. Conciliorum Oecumenicorum Decreta, Bologna, 2002, p. 32 Deze titel wordt bevestigd door canon 28 van het concilie van Chalcedon (451) Concilie van Chalcedon, Sessio XV - Canones (31 okt 451), 28. Conciliorum Oecumenicorum Decreta, Bologna, 2002, pp. 99-100,en daar werd de zetel van Jeruzalem toegevoegd aan de lijst. Deze pentarchie wordt in het Oosten beschouwd als een vorm en garantie voor de uitoefening van de gemeenschap en de synodaliteit tussen deze vijf apostolische zetels.
De Kerk in het Westen erkent de rol van de patriarchaten van het Oosten, maar ze beschouwt de Kerk van Rome niet als een van de andere patriarchaten, maar kent haar een specifiek primaatschap toe binnen de universele Kerk.