• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Men moet zich geen taak aanmatigen, die Christus in Zijn Kerk aan anderen heeft gegeven, maar de door Hem gestelde leiding volgen.

Van de andere kant zijn er niet weinigen, die zich ofwel door verkeerde ijver laten misleiden, of, wat erger is, heel andere bedoelingen hebben dan zij voorgeven en zich een taak aanmatigen die hun niet toekomt. Alles in de Kerk zou volgens hun oordeel en goedvinden moeten gebeuren; ja zelfs alles wat anders gedaan wordt, vinden zij verkeerd en aanvaarden zij slechts met tegenzin. Hun moeite en inspanning is zeker zonder nut en zij verdienen niet minder dan de eerste groep onze afkeuring. Wat zij doen, is niet de leiding volgen van het wettig gezag, maar er op vooruitlopen en tevens de taak van de overheden onrechtmatig voor onbevoegden opeisen. Zij werpen daarbij de orde, die God voor altijd in Zijn Kerk heeft ingesteld en welke Hij door niemand straffeloos laat verstoren, omver.

Zeer verdienstelijk maken zich degenen, die niet weigeren zo vaak het nodig is in het strijdperk te treden, in de onwrikbare overtuiging, dat onrechtvaardig geweld eens ten onder zal gaan en de strijd tegen de heiligheid van recht en godsdienst eens zal moeten opgeven. Ja, zij nemen een taak op zich die de christenmoed van vroegere tijden waardig is, wanneer zij hun krachten inspannen om de godsdienst te verdedigen, vooral tegen een partij van vermetelen, die de verwoede strijd tegen het christendom zich ten doel gesteld heeft en niet ophoudt de paus, die zij in haar macht heeft gebracht, op vijandige wijze te vervolgen. Zij zorgen echter daarbij een stipte gehoorzaamheid te betrachten en hebben zich gewoon gemaakt niets te ondernemen zonder daartoe opdracht te hebben ontvangen.

Zulk een bereidvaardige gehoorzaamheid, gepaard aan moed en karaktervastheid, is voor alle christenen noodzakelijk, opdat zij in alle voorkomende omstandigheden “in niets bezwijken” (Jak. 1, 4). Wij verlangen daarom ten zeerste, dat allen diep doordrongen zijn van de voorzichtigheid, die de H. Paulus “de voorzichtigheid van de geest” (Rom. 8, 6) noemt. Deze immers volgt bij het regelen van de menselijke activiteit de gulden middenweg en bewerkt, dat de mens niet tot een van de twee uitersten vervalt: vreesachtige wanhoop of vermetele overmoed.

De juiste voorzichtigheid bestaat voor de katholieken hierin, dat zij de leiding volgen van de bestuurders van de Kerk: paus en bisschoppen.

Er bestaat echter onderscheid tussen de voorzichtigheid in zake het bestuur, die op het algemeen welzijn gericht is, en die, welke het particulier welzijn van ieder afzonderlijk tot voorwerp heeft. Deze laatste vindt men bij hen, die niet in overheid gesteld zijn en die in hun persoonlijk gedrag de inspraak van de juist gerichte rede volgen. De eerste bij degenen, die in overheid gesteld zijn en vooral bij de hoogste overheden, die tot taak hebben met gezag aan het hoofd te staan. En zo schijnt de voorzichtigheid in zake het bestuur bij degenen, die niet in overheid gesteld zijn, geheel hierin te bestaan, dat zij de voorschriften van de wettige overheid nauwgezet opvolgen. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. II-II, Quest. XLVII, art. XII; De voorzichtigheid zetelt in het verstand; besturen nu en leiden is bij uitstek de taak van het verstand; en daarom moet ieder voor zover hij deel heeft aan het bestuur en de leiding, verstand en voorzichtigheid hebben. Nu is het duidelijk, dat het niet de taak is van de onderdaan, in zover hij onderdaan is en van de dienaar in zover hij dienaar is te besturen en te leiden, maar veeleer bestuurd en geleid te worden. En daarom is de voorzichtigheid niet de deugd van de dienaar, in zover hij dienaar is, en ook niet van de onderdaan in zover hij onderdaan is. Maar omdat iedere mens, in zover hij een redelijk wezen is, in zekere mate deel heeft aan het bestuur volgens het oordeel van zijn verstand, komt hem in zover ook toe voorzichtigheid te hebben. Daaruit volgt, gelijk in het VIe boek van de Ethica wordt gezegd, dat de voorzichtigheid in de overheidspersoon is als in de bouwmeester; in de onderdanen echter gelijk in de handwerkslieden, die zijn plannen uitvoeren. Dat deze juist onderlinge verhouding in de Kerk gehandhaafd blijft, is te meer noodzakelijk, naarmate ’s pausen voorzichtigheid in het bestuur zich over een breder gebied uitstrekt. Zijn taak is het niet alleen, de Kerk te besturen, maar ook de handelingen van de leden van de Kerk in hun geheel zo te leiden, dat zij gericht zijn op het eeuwig heil, dat zij hopen te verwerven. Hieruit blijkt, dat behalve volmaakte eensgezindheid in denken en handelen, bij de actie ook volgzaamheid nodig is ten opzichte van de wijsheid van de kerkelijke overheid in haar bestuur. De taak nu om onmiddellijk na de paus en in ondergeschiktheid aan hem de Kerk te besturen rust op de bisschoppen. Zij hebben wel niet de hoogste bisschoppelijke bestuursmacht, maar zij zijn toch in de kerkelijke hiërarchie werkelijk vorsten. Zij voeren ieder voor zich het bestuur over de afzonderlijke kerken en zijn daarom “als het ware de hoofdbouwmeesters....bij het optrekken van het geestelijk bouwwerk” H. Thomas van Aquino, Quaestiones de quodlibet. 1:14; hun staat de geestelijkheid ter zijde als medehelpers bij hun taak en als uitvoerders van hun plannen. Niemand kan in deze inrichting van de Kerk enige verandering aanbrengen en daarmee moet men dus zijn activiteit in overeenstemming brengen. Gelijk het daarom voor de bisschoppen noodzakelijk is in de uitoefening van hun episcopaat verbonden te blijven moet de apostolische Stoel, zo moeten geestelijkheid en leken in de nauwste verbinding met hun bisschoppen leven en werken.

Het oordeel over het leven en de leiding van de bisschoppen komt alleen toe aan de paus.

Ongetwijfeld bestaat de mogelijkheid, dat het gedrag van een bisschop in een of ander opzicht minder lofwaardig is, of dat een of ander van zijn meningen minder goedkeuring verdient; toch mag geen privaat persoon zich de taak van rechter aanmatigen. Deze heeft Christus de Heer alleen aan hem opgedragen, die Hij als herder heeft gesteld zowel over de lammeren als over de schapen. Ieder moet het wijze woord van Gregorius de Grote onthouden: “De onderdanen moeten vermaand worden, niet vermetel een oordeel te vellen over het leven van degenen, die over hen gesteld zijn, als zij wellicht zien, dat hun handelswijze in een of ander punt afkeuring verdient, opdat zij niet, terwijl zij het verkeerde terecht aanklagen, zelf uit hoogmoed nog dieper vallen. Zij moeten vermaand worden om, bij het zien van de fouten van hun overheden, tegenover hen niet min of meer opstandig te worden, maar al zouden sommige van hun daden ook al zeer verkeerd zijn, dan moeten zij toch bij zichzelf zó over oordelen, dat zij in vreze Gods niet weigeren het juk van onderdanigheid jegens hen te dragen. De daden van de overheden immers mogen niet getroffen worden door het zwaard van het woord, ook al is men terecht van oordeel, dat ze afkeurenswaardig zijn.” H. Paus Gregorius de Grote, Herderlijke Regel, Regula pastoralis. P. III, Cap. IV

Document

Naam: SAPIENTIAE CHRISTIANAE
Over de voornaamste plichten van de christelijke burgers
Soort: Paus Leo XIII - Encycliek
Auteur: Paus Leo XIII
Datum: 10 januari 1890
Copyrights: © 1947, Ecclesia Docens 0115, Gooi & Sticht, Hilversum
Vert.: L.H.H.D. Schils CssR
Bewerkt: 12 november 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test