• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Het gebed van Tobias (en Sara – hierboven volledig geciteerd (zie TvL 114:1)) heeft vooreerst het karakter van een loflied en een dankzegging en (wordt pas) nadien (langzaam) een smeekbede

Wat nu volgt is niet op de audiënties uitegsproken “Betoon mij en haar uw barmhartigheid en laat ons samen oud worden” [B;Tobit 8, 7]. Door de God van het Verbond te loven, “God van onze vaderen”, spreken de jonggehuwden in zekere zin de taal van alle zichtbare en onzichtbare wezens: “Mogen de hemelen en alle schepselen U prijzen door de eeuwen heen” (Tobit 8:5).

Op deze wijde, men kan zeggen ‘kosmische’ achtergrond, herinneren allebei met dank de schepping van de mens, dit “man en vrouw schiep Hij hen” (Gen 1:27) van het boek Genesis.

Twee tradities zijn aanwezig in de woorden van het gebed – tegelijk de levitische traditie (Gen 1:27-28): de schepping van man en vrouw en de gratis gave van de zegening van de vruchtbaarheid, “Uit hen is heel het menselijk geslacht voortgekomen” (Tobit 8:6); en op een vollere manier misschien, de Jahwistische traditie. Zo spreekt het gebed dus over de onderscheiden schepping van de vrouw met deze woorden: “Ik ga een hulp voor hem maken die bij hem past” (Gen 2:18). Tobias en Sara roepen dit tot twee maal toe op in hun gebed: “Gij hebt gezegd: Het is niet goed dat de mens alleen is; laten we een hulp voor hem maken die bij hem past”. En daarvoor: “Gij hebt Adam gemaakt en Eva, zijn vrouw, om hem tot hulp en stut te zijn” (Tobit 8:6).

Men kan daaruit afleiden dat de waarheid die net in deze woorden van het boek Genesis worden uitgedrukt, de centrale plaats innemen in het religieuze bewustzijn van Tobias en Sara, als het merg zelf van hun echtelijk ‘credo’, en dat deze waarheid tegelijk heel dicht bij hen is. Door deze waarheid draaien ze zich niet alleen met de woorden van de Bijbel tot God-Jahwe, maar drukken ze bovendien ten volle uit wat hun harten vervult. Ze verlangen inderdaad om een nieuwe schakel te worden in de keten die hen verbindt met de oorsprong zelf van de mens. Op dit ogenblik dat ze met elkaar gehuwd als man en vrouw ‘één vlees’ moeten worden, beginnen ze samen de ‘taal van het lichaam’ te herlezen, die eigen is aan hun toestand in de goddelijk bron. Op die manier wordt de ‘taal van het lichaam’ de taal van de liturgie: ze is zo diep mogelijk verankerd, dat wil zeggen geplaatst in het mysterie van het ‘begin’.

De noodzaak van een volle zuivering gaat gepaard met deze verankering. Terwijl ze de goddelijke bron van de ‘taal van het lichaam’ naderen, voelen de jonggehuwden die nood en drukken ze die uit. Tobias zegt: “Welnu, Heer, het is niet uit wellust dat ik deze zuster hier onder de mijnen tot me neem, maar met een juiste intentie” (Tobit 8:7). Hij toont op die manier het ogenblik van zuivering waaraan de ‘taal van het lichaam’ moet worden onderworpen, wanneer man en vrouw zich klaarmaken om in die taal het teken van de sacramentele band uit te drukken. In dit teken moet het huwelijk dienen om de wederzijdse gemeenschap van personen te bouwen door de sponsale betekenis van het lichaam in haar innerlijke waarheid voort te brengen. De woorden van Tobias: ‘niet uit wellust’ moeten herlezen worden in de integrale tekst van de Bijbel en de Traditie.

Het gebed van het boek Tobit plaatst de ‘taal van het lichaam’ op het vlak van de essentiële thema’s van de theologie van het lichaam. Het is een ‘geobjectiveerde’ taal, doordrongen, niet zozeer van de emotieve kracht van de ervaring [(als in het geval van het Hooglied, maar ook – op een andere manier – van bepaalde teksten van de profeten),] als veeleer door de diepte en de ernst van de waarheid van het bestaan zelf.

De echtgenoten belijden deze waarheid samen voor de God van het Verbond, ‘God van onze vaderen’. Men kan zeggen dat in dit aspect de ‘taal van het lichaam’ de taal wordt [van de liturgie. Tobias en Sara spreken de taal] van de bedienaars van het sacrament, bewust dat in het huwelijksverbond [van man en vrouw – doorheen juist deze ‘taal van het lichaam’ –] het mysterie zich uitdrukt en verwezenlijkt, dat zijn bron vindt in God zelf. Hun huwelijksverbond is inderdaad het beeld – en het primordiale sacrament van het Verbond van God met de mens, met het menselijk geslacht – van dit Verbond dat zijn oorsprong in de eeuwige Liefde vindt.

Tobias en Sara eindigen hun gebed met de volgende woorden: “Betoon mij en haar uw barmhartigheid en laat ons samen oud worden” (Tobit 8:7). Men kan aannemen (op basis van deze context) dat ze voor ogen het perspectief hebben om vol te houden in de gemeenschap tot het einde van hun dagen – perspectief dat zich reeds voor hen opent in de beproeving van het leven en de dood in de eerste huwelijksnacht. Tegelijk zien ze met de ogen van het geloof de heiligheid van deze roeping, waarin ze – doorheen de éénheid van de twee, opgebouwd in de wederzijdse waarheid van de ‘taal van het lichaam’ – moeten antwoorden aan de oproep van God zelf, vervat in het mysterie van het ‘begin’. En het is daarom dat ze vragen: “Betoon mij en haar uw barmhartigheid”.

De echtgenoten in het Hooglied verklaren elkaar hun menselijke liefde met vurige woorden. De pasgehuwden in het boek Tobit vragen God dat zij zouden kunnen antwoorden op de liefde. Zowel het ene en het andere aspect vindt zijn plaats in wat het sacramentele teken van het huwelijk vormt. Zowel het ene en het andere neemt deel aan de vorming van dit teken.

We kunnen zeggen dat door het ene en het andere aspect de ‘taal van het lichaam’, herlezen in de subjectieve dimensie van de waarheid van de menselijke harten en in de ‘objectieve’ dimensie van de waarheid van het leven in de gemeenschap, de taal van de liturgie wordt. Het gebed van de pasgehuwden in het boek van Tobit lijkt dit te bevestigen, weliswaar anders dan het Hooglied, en zelfs op een manier die ongetwijfeld meer beroert.

Document

Naam: HET GEBED VAN DE NIEUWE ECHTGENOTEN
TvL 116
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiƫntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 27 juni 1984
Bewerkt: 9 februari 2022

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test