• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
Vandaag beginnen wij een meer gedetailleerde analyse van de passage van de brief aan de Efeziërs 5:21-33 (Ef. 5, 21-33).

Terwijl hij zich tot de echtgenoten richt, raadt de auteur {van de brief aan de Efeziërs} hen aan: “Weest elkander onderdanig uit ontzag voor Christus” (Ef. 5, 21).

Het gaat hier om een verhouding met een dubbele dimensie of twee niveaus: wederkerig en gemeenschappelijk. De ene verduidelijkt en kenmerkt de andere. De wederzijdse betrekkingen van man en vrouw moeten voortvloeien uit hun gemeenschappelijke relatie met Christus. De auteur van de brief spreekt van ‘ontzag voor Christus’ op analoge wijze als wanneer hij spreekt van ‘ontzag voor God’. In dit geval is het niet een kwestie van angst, wat een defensieve houding is tegenover de dreiging van het kwaad, maar het is vooral een zaak van respect voor het heilige, voor het sacrum; het is een kwestie van pietas, wat in de taal van het Oude Testament ook werd uitgedrukt met het begrip ‘ontzag voor God’. Vgl. Ps. 103, 11 Vgl. Spr. 1, 7 Vgl. Spr. 23, 17 Vgl. Sir. 1, 11-16 Inderdaad moet een dergelijke pietas, die voortvloeit uit het diepe bewustzijn van het mysterie van Christus, de basis van de wederzijdse betrekkingen tussen echtgenoten vormen.

Zoals de onmiddellijke context heeft ook de door ons gekozen tekst een ‘parenetisch’ [of overtuigend] karakter voor een morele richtlijn. De auteur van de brief wil aan de echtgenoten de basis van hun onderlinge relatie en hun hele gedrag meegeven. Hij leidt zijn aanwijzingen en richtlijnen af uit het mysterie van Christus dat hij aan het begin van de brief heeft uiteengezet. Dit mysterie moet geestelijk aanwezig zijn in de wederzijdse relatie van de echtgenoten. Door in hun hart door te dringen, door in hen het heilige ‘ontzag voor Christus’ teweeg te brengen (namelijk de pietas) moet het mysterie van Christus hen leiden tot het ‘elkander onderdanig’ zijn – het mysterie van Christus, dat wil zeggen het mysterie van de keuze van elk van hen in eeuwigheid in Christus als ‘geadopteerde kinderen’ van God.

De uitdrukking die onze passage van Efeziërs 5:21-33 opent en die wij met een analyse van de verwijderde en onmiddellijke context hebben benaderd, heeft een heel bijzondere welsprekendheid. De auteur spreekt van de wederzijdse onderwerping van de echtgenoten, de man en de vrouw, en op die manier legt hij ook uit hoe de woorden die hij daarna over de onderwerping van de vrouw aan de man zal schrijven, moeten worden begrepen. In feite lezen we: “Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer” (Ef. 5, 22). Daarmee wil de auteur niet zeggen dat de man de ‘meester’ is van de vrouw en dat het interpersoonlijk verbond, eigen aan het huwelijk, een verbond van de overheersing van de man over de vrouw is. Hij geeft integendeel uiting aan een ander concept: dat de vrouw in haar relatie met Christus – die de enige Heer is voor beide echtgenoten – de motivatie kan en moet vinden voor haar betrekkingen met haar echtgenoot die uit de essentie van het huwelijk en het gezin voortvloeien. Een dergelijke relatie is echter niet een eenzijdige overheersing. Volgens de leer van de brief aan de Efeziërs sluit het huwelijk dat element van het verbond als pact uit, dat soms een last legt op deze instelling en niet ophoudt dit te doen. Man en vrouw zijn in feite ‘de een aan de ander onderworpen’ en zijn wederzijds ondergeschikt aan elkaar. De bron van deze wederzijdse onderwerping is te vinden in christelijke pietas, en haar uitdrukking is de liefde.

De auteur van de brief onderstreept deze liefde op een bijzondere manier door zich tot de mannen te richten. Hij schrijft immers: “Mannen, hebt uw vrouw lief ...” en door zich zo te uiten neemt hij alle vrees weg die de vorige zin (gelet op de moderne gevoeligheid) zou kunnen opwekken: “Vrouwen, weest onderdanig aan uw man als aan de Heer”. Liefde sluit elke vorm van onderwerping uit, waarbij de vrouw een dienares of een slavin van haar echtgenoot zou kunnen worden, een voorwerp van eenzijdige overheersing. De liefde maakt dat de man tegelijkertijd onderworpen is aan de vrouw, en aldus onderworpen aan de Heer zelf, net als de vrouw aan de man. De gemeenschap of de eenheid die zij door hun huwelijk moeten stellen, wordt verwezenlijkt door een wederzijdse zelfgave, die ook een wederzijdse onderwerping is. Christus is de bron en tegelijk het model van die onderwerping, die, omdat ze wederzijds is, ‘ontzag voor Christus’ aan de echtelijke eenwording een diepgaand en volwassen karakter verleent. Veel elementen van psychologische aard of die uit gewoonte voorvloeien, worden in deze bron en in dit model zozeer omgevormd, dat ze om zo te zeggen een nieuwe en kostbare ‘samensmelting’ van de wederzijdse gedragingen en betrekkingen doen ontspringen.

Document

Naam: DE ECHTGENOTEN: “WEDERZIJDS ONDERDANIG UIT ONTZAG VOOR CHRISTUS”
89e Catechese in de reeks: Theologie van het Lichaam
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 11 augustus 1982
Copyrights: © 2016, Libreria Editrice Vaticana / Uitg. Betsaida, Den Bosch
© 2016, Vertaling: Uitg. Betsaida
Bewerkt: 8 december 2021

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test