• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Christus’ woorden in de Bergrede Vgl. Mt. 5, 27-28 moeten worden geïnterpreteerd in het licht van deze complexe waarheid over de mens. Als ze al een bepaalde ‘beschuldiging’ ten aanzien van het menselijke hart bevatten, houden ze nog veel meer een oproep in. De beschuldiging van het morele kwaad, dat de ‘begeerte’ – ontstaan uit de heftige begeerte van het vlees – in zich verbergt, is tegelijkertijd een oproep tot het overwinnen van dit kwaad. Als de overwinning van het kwaad erin bestaat zich ervan te verwijderen (vandaar de strenge bewoordingen in het kader van Matteüs 5:27-28), gaat het er enkel om zich te verwijderen van het kwaad van de handeling (hier, van de innerlijke handeling van de begeerte) en om nooit het negatieve karakter van deze handeling op zijn object over te dragen. Een dergelijke overdracht zou een zekere aanvaarding betekenen – misschien niet ten volle bewust – van de Manicheïstische ‘tegenwaarde’. Het zou geen reële en diepe overwinning op het kwaad van de handeling zijn, die een kwaad is door haar morele essentie en zo een kwaad van spirituele aard; er zou in tegendeel zelfs het grote gevaar in verborgen zijn de handeling te rechtvaardigen ten koste van het object (waaruit precies de essentiële fout van de Manicheïstische ethos bestaat). Het is duidelijk dat in Matteüs 5:27-28 Christus van de mens eist dat hij zich van het kwaad van de ‘begeerte’ (of van de ongeordende blik van verlangen) verwijdert, maar zijn uitspraak laat op geen enkele manier toe te veronderstellen dat het object van het verlangen, dat wil zeggen de vrouw waar men naar ‘kijkt om te begeren’, een kwaad is. (Deze verduidelijking lijkt soms in bepaalde ‘Wijsheids’-teksten te ontbreken.)

We moeten daarom het verschil tussen ‘beschuldiging’ en ‘oproep’ verduidelijken. Gezien de beschuldiging tegen het kwaad van de begeerte tegelijkertijd een oproep is om dit te overwinnen, moet deze overwinning samengaan met een poging om de werkelijke waarden van het object te ontdekken, zodat de Manicheïstische ‘tegenwaarde’ geen wortel kan schieten bij de mens, in zijn geweten en in zijn wil. Immers het kwaad van de begeerte, dat wil zeggen de handeling waarover Christus spreekt in Matteüs 5:27-28, maakt dat het object waarop zij is gericht voor het menselijk subject een ‘onvoldoend gewaardeerde waarde’ is. Als in de woorden van de Bergrede (Mt. 5, 27-28) die we hebben geanalyseerd, het menselijk hart wordt beschuldigd van begeerte (of tegen die begeerte wordt gewaarschuwd), wordt het tegelijk en met diezelfde woorden opgeroepen om de volle betekenis te ontdekken van wat, in deze handeling van begeerte, ervoor een ‘onvoldoende gewaardeerde waarde’ vormt. Zoals we weten zei Christus: “alwie naar een vrouw kijkt om haar te begeren, heeft in zijn hart al echtbreuk met haar gepleegd”. ‘Echtbreuk in het hart gepleegd’ kan en moet worden begrepen als een ‘devaluatie’, of als de verarming van een authentieke waarde, als een opzettelijke vrijheidsberoving van deze waardigheid waarmee de volledige waarde van de vrouwelijkheid in de persoon in kwestie overeenstemt. Matteüs 5:27-28 bevat een uitnodiging om deze waarde en deze waardigheid te ontdekken en opnieuw te bevestigen. Het lijkt erop dat alleen wanneer Matteüs’ woorden op deze manier worden begrepen, de semantische betekenis ervan wordt gerespecteerd.

Tot slot van deze beknopte overwegingen is het noodzakelijk nogmaals op te merken dat de Manicheïstische manier om het lichaam en de seksualiteit van de mens te begrijpen en te evalueren in wezen vreemd is aan het Evangelie en niet in overeenstemming met de exacte betekenis van de woorden die Christus sprak in de Bergrede. De oproep om de begeerte van het vlees te beheersen vloeit juist voort uit de bevestiging van de persoonlijke waardigheid van het lichaam en de seksualiteit, en staat alleen ten dienste van deze waardigheid. Wie in deze woorden een Manicheïstisch perspectief zou willen zien, begaat een essentiële fout.

Document

Naam: HET ADEQUATE BEGRIP - ANTIWAARDE OF ONVOLDOENDE GEWAARDEERDE WAARDE?
45e catechese in de reeks: Theologie van het Lichaam
Soort: H. Paus Johannes Paulus II - Audiëntie
Auteur: H. Paus Johannes Paulus II
Datum: 22 oktober 1980
Copyrights: © 2016, Libreria Editrice Vaticana / Uitg. Betsaida, Den Bosch
© 2016, Vertaling: Uitg. Betsaida
Bewerkt: 7 december 2021

Referenties naar dit document

 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2023, Stg. InterKerk, Schiedam, test