• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
DE CONSENSUS OVER DE RECHTVAARDIGINGSLEER
C  -  De basiselementen van de consensus over de rechtvaardiging

C - De basiselementen van de consensus over de rechtvaardiging

Het is duidelijk dat het hier niet alleen om een taalprobleem gaat, maar om een nieuwe ervaring en een nieuw denken dat zich dan zelf een taal schept. Vanuit een dergelijk perspectief van een gevorderd nieuw denken zou ik in een afsluitend deel zeer bondig stelling willen nemen ten aanzien van vier punten uit de rechtvaardigingsstrijd die mij bijzonder verhelderend en belangrijk lijken. Het gaat er hier niet om de discussie van de vaktheologen, die aan de consensus voorafging en de formulering ervan mogelijk maakte, te relativeren. Die was en blijft belangrijk. Maar haar horizon moet verwijd worden, daarom gaat het in deze bijdrage. Als nieuwe werken kan ik hier noemen het basiswerk Lehrverurteilungen - kirchentrennend?, dl. I Rechtfertigung, Sakramente und Ambt im Zeitalter der Reformation und heute, uitgegeven door K. Lehmann-W. Pannenberg, Freiburg-Göttingen 1986; dl. II Materialien zu den Lehrverurteilungen und zur Theologie der Rechfertigung, ed. K. Lehmann, ibid. 1989; dl. III Materialien zur Lehre vonden Sakramenten und von kirchlichen Amt, ed. W. Pannenberg, ibid. 1990; dl. IV Antworten auf kirchliche Stellungnahmen, ed. W. Pannenberg-Th. Schneider, ibid. 1994. Verder E. J üngel, Das Evangelium von der Rechifertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens, Tübingen 1998; Th. Söding (ed.), Worum geht es in der Rechtfertigungslehre?, QD, Freiburg 1999; Diocesi di Arezzo - Cortona - Sansepolcro, Instituto di Scienze Religiose, Puriticazione della memoria, Arezzo 2000. Waardevol voor de precieze argumentatie: A. Dulles, Justification today, Fordham University 1999.

1.

"Gerechtvaardigd en zondaar tegelijk" (simul iustus et peccatori). Over de vraag, in welke zin een gerechtvaardigde ook een zondaar kan en moet genoemd worden, is uiterst subtiel gediscussieerd. De geschriften van Luther en het reformatorisch erfgoed bieden klaarblijkelijk geen homogeen antwoord, maar een veelvoudig spectrum dat bij de individuele commentatoren zeer onderscheiden accentueringen toelaat. Wat aan de een als groot verraad aan het lutherse erfgoed verschijnt, ziet de ander als de eigenlijke intentie van de hervormer enz. Men heeft, zoals reeds werd aangeduid, naar steeds subtielere onderscheidingen gegrepen om het erfgoed van Trente en dat van Luther tenminste als convergent te kunnen verklaren. Ik voel me niet in staat in zulke subtiliteiten binnen te treden en kan eenvoudig niet geloven, dat aan zoveel subtiliteit de kerkscheiding, het ware geloof zal hangen, dat toch eigenlijk voor de eenvoudigen is bestemd.

Mij komt het voor dat wij grenspunten moeten proberen te verklaren, ze niet te eng mogen nemen en daarbinnen vrijheid van discussie en systematisering laten. Van mijn kant zou ik twee grenspunten willen onderscheiden. Aan het katholicisme wordt verweten dat het de zonde te eng voluntaristisch en intellectualistisch zou opvatten (alleen het klaar bewuste, klaar gewilde kan zonde zijn). Zonde zou gepunctualiseerd worden en daardoor zou juist haar humus, ja haar dieperliggende wezensgrond buiten het blikveld gebracht worden. Ik denk dat men moet toegeven dat een eenzijdig gepunctualiseerd, voluntaristisch, intellectualistisch zondebegrip inderdaad ontoereikend is. Gregorius de Grote zegt in zijn H. Paus Gregorius de Grote
Regula pastoralis
Herderlijke Regel ()
: de menselijk geest beliegt zich zeer veel over zichzelf. H. Paus Gregorius de Grote, Herderlijke Regel, Regula pastoralis. I 9, SC 381 p. 158 Ons oppervlaktebewustzijn verbergt onze diepte, wij verklaren ons rechtschapen en hebben toch het boze in de diepte laten binnen zijpelen, en van daaruit werkt het. Daarom bidt de psalmist: van mijn verborgen zonden bevrijd mij. Overeind moet echter blijven dat zonde vrijheid, wil, inzicht veronderstelt en dat niet eenvoudig ons zijn zondig is. Onze psychologie van het geloven zowel als die van het zondigen moet echter in de diepe lagen van ons bestaan doordringen, waarvoor ons de moderne antropologie genoeg hulp aanbiedt. Het augustijnse (tridentijnse) begrip van concupiscentia (“begeerte”), van een innerlijke gesteldheid van de mens die van God los wil komen om louter zichzelf te zijn, biedt ons genoeg materiaal.

Maar dit mag toch niet zo ver gaan, dat wij als het ware bedorven zouden zijn in het zijn, dat zonde iets wordt waaraan wij toch niet kunnen ontkomen omdat wij nu eenmaal zondaars zijn. Het mag niet tot een dualisme voeren, waarin ook God klaarblijkelijk niet meer in staat zou zijn de mens individueel en collectief in de diepte te genezen. Het begrip genezing (verlossing) zou daarbij minder statisch en meer levenshistorisch moeten gezien worden: het leven van de gedoopte is een verlossingsproces waarin wij meegaan, ons laten meedragen en leiden, of dat wij afwijzen. Het is belangrijk het doel niet uit het oog te verliezen, zich opnieuw er naartoe te wenden als wij uitgegleden en weggegaan zijn. Het is belangrijk steeds opnieuw vergeving te aanvaarden, maar daarbij ook de verantwoording van die vergeving te leren. De grote bekering, dit is het geloof, bestaat uit veel kleine bekeringen. En steeds moeten we daarbij het woord van de H. Benedictus in oog en hart bewaren, dat de kern van de reformatorische ervaring katholiek uitdrukt: Et de Dei misericordia nunquam desperare - aan Gods barmhartigheid nooit twijfelen. H. Benedictus van Nursia, Regel voor monniken, Regula monasticorum. 4, 74 

2.

"Medewerking" (cooperatio). De vraag, hoever wij met betrekking tot het heil na het door God geschonken begin zelf medewerkers zijn, hoever wij door de nieuwe kracht handelen en leven kunnen, ja moeten, of "louter passief" (mere passivum) zijn; hoever daarom ons eigen doen medebepalend is voor het oordeel en ons eventuele onheil aan onszelf verschuldigd, maar dan ook ons heil door ons mee verantwoord wordt, dus genadeloon is, is wel het meest omstreden punt van de in de rechtvaardigingsleer concreet wordende verlossingsleer.

Ik denk dat het in de eerste plaats zeer belangrijk is in deze zaak groot over God te denken en toe te horen hoe Hij ons in de Heilige Schrift aanspreekt. Ofschoon alles wat wij zijn en kunnen van Hem komt en van Hem is, moet ons armzalig doen steeds volledig onmeetbaar behalve met dat wat Hij geeft, wil Hij een werkelijke God van relatie zijn en blijven. Hij wilde niet, bij wijze van spreken, alleen met Zichzelf bezig zijn, maar ons tot echte relatiedragers, tot echte partners van Zichzelf maken. Wij zijn geen marionetten van God die niet geroepen en niet bekwaam zouden zijn om verantwoordelijk voor Hem te handelen. Afzien van de verantwoordelijkheid, van de bekwaamheid om voor God rekenschap te geven, ware een schijnverlossing. In werkelijkheid degradeert het ons en daarmee ook God. Wat wij zijn en doen, telt werkelijk bij Hem. Hij gewaardigt Zich, ondanks de onderlinge onmeetbaarheid, ons toch tot medewerking met Hem te roepen.

Het komt erop aan in deze zaak onze horizont te verruimen en de overlevering van de Oosterse Kerk in onze dialoog te betrekken, om niet in een kring te lopen. Toevallig ben ik de jongste tijd bezig geweest met Maximus de Belijder Als inleiding kan helpen de vertaling van G. Bausenhart: Maximus der Bekenner, Drei geistliche Schriften, Johannes Verlag 1996. Het middenste van de drie werken, het Liber asceticus, bestaat ook in een vertaling van H.J. Sieben: Ausgestreckt nach dem, was vor mir ist. Geistliche Texte von Origenes bis Johannes Climacus, Trier 1998, p. 181-220. en Nicolaus Kabasilas Zijn hoofdwerk is in een goede door G. Hoch verzorgde vertaling toegankelijk: N. Kabasilas, Das Buch uon Leben in Christus, Johannes Verlag 1991.: het prille begin en later hoogtepunt van de Byzantijnse theologie. Bij beiden is mij het sterke accent opgevallen op de wil als de plaats van onze verlossing, op een wijze, die vanuit de augustijnse traditie bevreemdend aandoet en toch haar gewicht heeft en ons moet doen nadenken. De wil is het oord van de liefde - zo tonen zij ons - en wordt van Godswege door Christus omhooggetrokken in het bemind worden door Hem. En dat is verlossing. Maar de zo door God verheven wil moet zichzelf in de liefde vasthouden en liefde worden. 

3.

In de "Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen
Gemeenschappelijke Verklaring over de Rechtvaardigingsleer door de Rooms Katholieke Kerk en Lutherse Wereld Federatie
(31 oktober 1999)
" wordt gezegd dat de rechtvaardigingsleer "een essentieel criterium (is), dat de totale leer en praxis van de Kerk onophoudelijk op Christus moet oriënteren". Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen, Gemeenschappelijke Verklaring over de Rechtvaardigingsleer door de Rooms Katholieke Kerk en Lutherse Wereld Federatie (31 okt 1999), 18 Dit is een vertaling van de oude lutherse formule van het articulus stantis et cadentis ecclesiae. De “Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen
Annex bij de Gemeenschappelijke Verklaring over de Rechtvaardigingsleer door de Rooms Katholieke Kerk en Lutherse Wereld Federatie
(31 oktober 1999)
” drukt het nog scherper uit: "De rechtvaardigingsleer is maatstaf of toetssteen van het christelijk geloof. Geen leer kan in strijd zijn met dit criterium ... ". Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen, Annex bij de Gemeenschappelijke Verklaring over de Rechtvaardigingsleer door de Rooms Katholieke Kerk en Lutherse Wereld Federatie (31 okt 1999), 3 De Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen
Antwoord van de Katholieke Kerk op de gemeenschappelijke verklaring tussen de Rooms Katholieke Kerk en de Lutherse Wereldbond over de rechtvaardigingsleer (1 augustus 1998)
van de Pauselijke Raad ter bevordering van de Eenheid van de Christenen van 1 augustus 1998 heeft daarbij gezegd: "Terwijl voor de lutheranen deze leer een heel unieke betekenis gekregen heeft, moet de boodschap van de rechtvaardiging, wat de katholieke Kerk betreft, overeenkomstig de heilige Schrift en sedert de tijd van de Vaders organisch in het grondcriterium der 'regula fidei' betrokken worden, namelijk de op Christus als middenpunt gerichte en in de levende Kerk en haar sacramenteel leven gewortelde belijdenis van de Drie-ene God". Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen, Antwoord van de Katholieke Kerk op de gemeenschappelijke verklaring tussen de Rooms Katholieke Kerk en de Lutherse Wereldbond over de rechtvaardigingsleer (1 aug 1998), 2 Deze beide visies hoeven niet onverenigbaar te zijn, maar zij moeten in hun onderlinge relatie verdiept worden, omdat dan werkelijk het fundament van de christelijke existentie duidelijk te voorschijn treedt. Ten aanzien van het soort godsvoorstellingen waarin God en mens in het geheel niet in een werkelijke betrekking tot elkaar staan, stelt de rechtvaardigingsleer de fundamentele vraag: Wordt God werkelijk als een God voor ons en met ons erkend en geloofd? Wordt Christus als de Zoon van de levende God aangenomen, die voor ons geleden heeft en in zijn lijden de last van ons bestaan meedraagt? Wordt de ernst van de zonde erkend, die het lijden van God veroorzaakt en ons juist zo de hele grootheid van God laat zien, van God die voor ons klein wordt, liefhebbend? Is het in ons opgekomen dat wij nood hebben aan de verzoening met God? "Ja, God was het die in Christus de wereld met Zich verzoende, waarbij Hij de zonden der mensen niet in rekening bracht en aan ons de opdracht gaf de verzoening te prediken. Wij zijn dus gezanten van Christus, God roept u op door ons woord. Wij smeken u in Christus' naam: laat u met God verzoenen" (2 Kor. 5, 19-20). De rechtvaardigingsleer stelt - wanneer ze juist verstaan wordt - daadwerkelijk de beslissende vragen over God, mens, leven en sterven, over onze verhouding tot God en over de juiste weg van ons leven; in die zin is zij een "toetssteen" of wij in het geloof van de apostelen staan of niet.

Maar tegelijkertijd moet vastgehouden worden, dat de verlossingsleer geen vrij beschikbare theologische maatstaf is voor het geloof, een maatstaf die men zuiver intellectueel zou kunnen aan­ wenden en als meetsnoer gebruiken als een metatheorie voor de toetsing van de "theorieën" (dit is van de geloofsleer en de levende Kerk). Ze is geen vrij beschikbare maatstaf waarmee men zich boven de Kerk kan plaatsen en zich boven haar kan bevinden. De rechtvaardigingsleer heeft veeleer, zoals de Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen
Antwoord van de Katholieke Kerk op de gemeenschappelijke verklaring tussen de Rooms Katholieke Kerk en de Lutherse Wereldbond over de rechtvaardigingsleer (1 augustus 1998)
van de Pauselijke Raad ter bevordering van de Eenheid van de Christenen met recht vooropstelt, haar innerlijke verankering in de belijdenis van God, de Drie-ene God met het christologische centrum van deze belijdenis. En deze belijdenis op haar beurt is geen theorie, maar een leven dat verankerd is in het sacrament van het doopsel; maar doopsel betekent op zijn beurt ingevoegd worden in het levende Lichaam van Christus, in de geloofsgemeenschap waarin zijn woord leeft. Geloof als leven is deelname aan het gemeenschappelijke leven van het Lichaam van Christus, de Kerk. Er bestaat geen zuiver theoretisch criterium van het geloof, maar geloven is belijdenis (confessio) en als dusdanig bekering (conversio), en deze is wederom, juist omdat wij ons niet zelf bekeren, onszelf niet tot iets nieuws en anders kunnen maken, het handelen van een Ander met mij - sacrament - en aldus tegelijkertijd in de moederbodem van de levende Kerk verankerd.

Over deze grondbetekenis en grondvorm van het geloven, waarover het gaat, moet verder gesproken worden, Daarbij moet zichtbaar worden dat het geloof mij heel persoonlijk voor de levende God plaatst, maar vanuit de Drie-ene God en vanuit de lichamelijkheid van Jezus Christus en zijn historiciteit een wezenlijke communautaire, sacramentele, ecclesiale dimensie bezit, zonder welke er in het geheel geen geloof zou zijn. In deze context zou ik willen wijzen op de volgende zin van de exegeet uit Tübingen, M. Theobald: "Noch eigendom van Paulus noch gemeengoed van de Kerk kan de canon van de rechtvaardiging genoemd worden. Van de eerste niet, omdat Paulus als oudste getuige van de uitspraak bij de gemeente van Antiochië aanleunde, van de laatste niet, omdat hij in de vroege Kerk slechts partieel aanvaard werd. Dat hangt ook daarmee samen dat hij als canon of theologisch richtsnoer met de autoriteitsrang bezat, die aan de andere belangrijke uitspraken van de vroege Kerk toekwam (1 Kor. 15, 3b-5; Rom. 10, 9), waarvan de geschiedenis in het credo van de Kerk uitmondt. Hadden deze uitspraken een liturgische 'Sitz im Leben', ... de canones formuleerden theologische principes die aanwijzingen bevatten voor het handelen; ze droegen zo in sterkere mate het merkteken van de tijdgebondenheid in zich ... Hermeneutisch beduidt deze door Paulus ondernomen vermenging van canon en credo-uitspraken (vgl. ook Gal. 2, 16-20c) dat zijn rechtvaardigingsleer toegepaste christologie is". M. Theobald, "Der Kanon von der Rechtfertigung (Gal 2, 16 ; Rom 3, 28) - Eigentum des Paulus oder Gemeingut der Kirche?", in: Th. Söding (ed.), Worum geht es in der Rechtfertigungslehre?, QD, Freiburg 1999; Diocesi di Arezzo - Cortona - Sansepolcro, Instituto di Scienze Religiose, Puriticazione della memoria, Arezzo 2000, p. 131 - 192 ; citaat 191. 

4.

Een ander punt uit de zojuist geciteerde Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen
Antwoord van de Katholieke Kerk op de gemeenschappelijke verklaring tussen de Rooms Katholieke Kerk en de Lutherse Wereldbond over de rechtvaardigingsleer (1 augustus 1998)
van de Pauselijke Raad ter bevordering van de Eenheid van de Christenen heeft opschudding verwekt en hevige kritiek opgeroepen. In Pauselijke Raad ter bevordering vd Eenheid vd Christenen
Antwoord van de Katholieke Kerk op de gemeenschappelijke verklaring tussen de Rooms Katholieke Kerk en de Lutherse Wereldbond over de rechtvaardigingsleer (1 augustus 1998)
, werd gezegd dat de vraag van de representativiteit, dit is de mogelijkheid tot bindend spreken in de lutherse gemeenschap, nog meer moet verhelderd worden, waarna de formulering volgende: "De Katholieke Kerk erkent de grote inspanning die de lutherse wereldbond deed om door consultatie van de synoden de 'magnus consensus (grote overeenstemming) te bereiken en zo zijn ondertekening kerkelijke waarde te geven: blijft evenwel de vraag naar het werkelijke gezag van zulke consensus, vandaag en ook in de toekomst, in het leven en de leer van de lutherse gemeenschap”.

Deze affirmatie heeft, zoals gezegd, een storm van verontwaardiging ontketend, alsof de Katholieke Kerk de gelijkberechtiging van de partners in de dialoog wilde loochenen. Maar de gestelde vraag heeft een totaal andere betekenis: ze was niet van kerkpolitische, maar van theologische aard. Ze toont aan dat er in een centrale aangelegenheid op grond van de oecumenische gesprekken en gewoon op grond van de eigen kerkelijke ervaringen van de lutherse Kerken een beduidende vooruitgang is geboekt, die even wel nog niet juist geformuleerd en verhelderd is. Indien men het Sola Scriptura strikt zou opvatten, zou het onbegrijpelijk zijn waarom het gezag van de synode dat van een groot aantal professoren, specialisten in de interpretatie van de Bijbel, zou overtreffen. Overigens is dan niet te begrijpen, hoe de leiding van de Kerk in een leertuchtprocedure tegen een professor een oordeel zou kunnen vellen. Op grond van een meerderheid van geleerden die het tegengestelde zegt? Of op grond van haar in de belijdenissen geformuleerde geloof, dat haar gemeenschappelijk kerkzijn fundeert? In het laatste geval, vanwaar komt dan het hogere gewicht van deze kerkelijke leer tegenover de professorale academische positie?

De synoden zijn op zich geen leerorgaan, kunnen dat niet zijn. Wanneer zij nu toch het gewicht van een leerambt moeten hebben, dan is het omdat zij de consensus van alle gelovigen uitdrukken, die geldt als een kracht door de Geest bewerkt: niet alle gelovigen kunnen in dwaling verkeren; morele eensgezindheid van een zo grote en verschillende menigte kan niet uit de mens zelf komen. Natuurlijk kan men vragen: als echter toch alleen de synoden beslissen, is er dan echt eensgezindheid? Men kan daarbij ook herinneren aan het feit dat van de 124 lidkerken 89 geantwoord hebben; 80 daarvan positief, 5 negatief en 4 deels positief, deels negatief. Of is de tegenstem van gelovige geleerden niet een duidelijker bewijs dat de magnus consensus niet bereikt is? Met andere woorden: het gaat om de vraag of de Kerk leergezag bezit of niet? Kan de Kerk als Kerk met volmacht iets als bindend leren dat door vele theologen, schriftgeleerden, bijbelkenners niet ingezien, ja zelfs bestreden wordt? En als er leergezag van de Kerk bestaat, wie bezit het dan? Hoe staat ze tot haar uitspraken?

Hier komt iets zeer belangrijk aan het licht: het Sola Scriptura moet in onze grondig veranderde situatie volledig opnieuw gedacht worden en de vraag naar het gezag van de Kerk, naar een leervolmacht van de Kerk als Kerk die het gezag van de geleerden overstijgt en van een andere aard is, moet gesteld worden. Voor de discussie over het Sola Scriptura vandaag is belangrijk U. Luz, "Kann die Bibel heute noch Grundlage für die Kirche sein?", in: NTS 44(1998), p. 317-339; ook M. Reiser, "Bibel und Kirche. Eine Antwort an U. Luz", in: TThZ 108(1999), p. 62-81. De oecumenische dialogen als dusdanig hebben hier gewoon een nieuwe situatie in het leven geroepen, want hier spreken niet geleerden met geleerden (ook dat), maar Kerken, respectievelijk kerkengemeenschappen met elkaar. Er heeft zich omzeggens vanzelf, vanuit de innerlijk opdracht van de Kerk en vanuit haar levensnoodwendigheden , ook in het protestantse milieu, zoiets als een leergezag in de Kerk (ik zeg niet: leerambt) gevormd. Dit is bemoedigend. De Katholieke Kerk zal zelfkritisch haar uitoefening van het leerambt steeds opnieuw overwegen; omgekeerd is de evangelische Christenheid vanuit de logica van de oecumene op de zoektocht naar de juiste vorm van kerkelijke leervolmacht aangewezen. Ook dat is een opdracht van de rechtvaardigingsleer, geen rijp, afkondigbaar gegeven, maar een teken dat er iets in beweging is. 

Al bij al is de rechtvaardigingsconsensus een opdracht, een begin: wij moeten opnieuw verhelderen wat verlossing is, wie God is, wie Christus is, wie wijzelf zijn. Niets minder staat op het spel. Hoe eerlijker en tegelijk deemoediger en hartstochtelijker wij deze vragen aangrijpen, zoals ze ons allen vandaag kwellen, des te duidelijker zal blijken dat worstelen om het geloof ons tot elkaar brengt.

Document

Naam: DE CONSENSUS OVER DE RECHTVAARDIGINGSLEER
Soort: Joseph Kardinaal Ratzinger
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 4 november 1999
Copyrights: © 2000, International Katholiek Tijdschrift 'Communio', jrg. 25, nr. 6, p. 433-448
Vert. uit het Duits: P. Gilis; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test