• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x
DE CONSENSUS OVER DE RECHTVAARDIGINGSLEER
B  -  De religieuze ervaring van Luther en het huidige beeld van God en mens

B - De religieuze ervaring van Luther en het huidige beeld van God en mens

De dramatische ervaring van Luther, die de aardverschuiving van zijn eeuw veroorzaakte, was de ontsteltenis over de toorn van God, onder wiens bedreiging hij zich wist omwille van zijn zon­den. Alle heilsmiddelen van de Kerk die de mensen daarvoor beschutten en van die dreiging moeten bevrijden, waren in zijn ervaring aan voorwaarden verbonden, die hem onvervulbaar schenen. Zij genazen de angst niet, maar verscherpten de dreiging nog, legden als het ware nog brandhout bij op de brandstapel van het gerecht. De verlossende bliksem was voor hem het inzicht dat hem bij het lezen van de brief aan de Romeinen geschonken werd: God wil dat alles ook niet. Jij hoeft je niet zelf tot een gerechtige te maken. Jij hoeft niet doorheen allerlei inspanningen een ander te worden, die je niet kunt worden. Heel dat kwellende kerkelijke "geleuter" is "wet", maar God geneest je heel eenvoudig en alleen door het geloof. Het was dit "alleen" dat hem heilszekerheid en daarmee vrede schonk.

Geconfronteerd met de ervaring van de toorn van God heeft het "door het geloof alleen" voor Luther bevrijding bewerkt. Om de last van de zonde-ervaring te kunnen doorstaan, had hij de zekerheid nodig dat hij ondanks alles gered, door God aangenomen was en dat deze aanvaarding onverwoestbaar was. Hij had "heilszekerheid" nodig. Die zekerheid, die voor hem de werkelijke ervaring was van verlossing, heeft hij steeds opnieuw in het zich verzekeren van het "door het geloof alleen" gezocht en gevonden. De deprimerende ervaring van zijn empirisch "ik" heeft hij steeds weer het tegengewicht van "door het geloof alleen" voorgehouden en zo daarin het hele wezen van het Christendom gevonden, en van daaruit het geheel opnieuw geordend en gedacht. Geloof mag niet meer alleen louter zekerheid zijn van Gods genade voor de wereld in zijn geheel, maar de eigenlijke geloofszekerheid bestaat erin dat ik gered ben. Destijds hebben velen deze ervaring van Luther als exemplarisch en bevrijdend voor zichzelf bevonden, vooral omdat binnen het katholicisme de grootheid van de genade, inderdaad dikwijls door een overvloed van uiterlijke oefeningen en voorschriften overwoekerd, voor velen nauwelijks erkenbaar was. In zoverre is de theologie van Luther hoofdzakelijk uit persoonlijke ervaring tot stand gekomen; daarin ligt haar betekenis en haar grens. Want deze ervaring, de strijd die in haar ligt, beroert enerzijds ongetwijfeld de kern van de menselijke Godservaring überhaupt en kan daarom de zoekende mens steeds opnieuw beroeren. Maar anderzijds is het nu eenmaal een particuliere, met zeer bepaalde historische en persoonlijke omstandigheden verbonden ervaring, die niet eenvoudig aanspraak kan maken op algemene geldigheid. Voor de biografische context van de theologie van Luther vgl. B. Lohse, Martin Luther. Eine Einfohrung in sein Leben und Werk, München 1981; P. Hacker, Das Ich im Glauben bei Martin Luther, Graz 1966. Onze huidige soort beklemming in onze relatie tot God, tot de naaste, tot onszelf heeft wezenlijk andere vormen aangenomen. 

Ik illustreer deze totaal veranderde context met een actueel voorbeeld. In het septembernummer 1999 van Stimmen der Zeit biedt de jezuïet Albert Keller ons een editoriaal onder de titel "Beleidigung Gottes", waarin hij duidelijk stelt dat er volstrekt geen belediging van God bestaat. Zijn verlichte inzichten plaatst hij tegenover de donkere achtergrond van de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
die nog door zulke achterhaalde voorstellingen getekend is en zo de Christenmens het leven zwaar maakt. God is immers onveranderlijk, zegt Keller, Hij kan onmogelijk vanbuiten uit beïnvloed worden. "Bijgevolg kan Hij ook niet beledigd en in zijn eer gekrenkt worden”. Keller verklaart dat ook aan de hand van menselijke voorbeelden: "Wanneer een kind of een licht zwakzinnige iemand beschimpt, moet deze al een bekrompen oordeelskracht hebben om zich daardoor beledigd te voelen". God echter staat hemelhoog boven ons. Aanvaarden dat Hij door ons kan beledigd worden, "verraadt grootheidswaan". Verder zegt de auteur dat wie zo denkt God naar de maat van zijn eigen beeld heeft gesneden. "Een bekrompen mens zal ook een bekrompen godsbeeld hebben ... ". God heeft ons ook geen geboden opgelegd, maar met de affirmatie dat de mens geschapen is naar het beeld van God, doel en zin van het leven meegegeven. Daarom willen wij in de grond van ons hart allen hetzelfde: God en de mensen beminnen. "Wij zullen niets anders doen, dan datgene wat wij in ons binnenste willen". Voor de toorn van God is in zulk wereld­beeld geen plaats - dat zou hoogst ongepast, ja, onmogelijk zijn voor een God die onveranderlijk en vanbuiten uit niet beïnvloedbaar is. A. Keller, "Beleidigung Gottes", in: StdZ, dl. 217, 1999, p. 577 e.v. Als men nauwkeurig toeziet, dan zal men vaststellen dat hier een deïstisch godsbeeld voorligt: wij zijn veel te gering opdat God Zich enigszins aan ons zou kunnen interesseren. Wij moeten slechts onze eigen verantwoordelijkheid opnemen, dan is alles in orde. Als de zaken zo staan, dan is er geen directe relatie van gij tot gij. Als er geen toorn bestaat, dan is ook de genade overbodig. Deze God is een soort regulatieve idee, maar geen rechter en ook geen redder. 

Wanneer een geleerde theoloog en jezuïet zoiets zegt, moet men de oren spitsen. Want dat betekent dat een voorstelling van God en mens, die sedert de verlichting steeds bredere kringen heeft aangetast, nu in het hart van de Kerk is doorgedrongen. Wat voor­ dien als een rationalistisch overblijfsel van het geloof verscheen, wordt nu als zijn eigenlijke en juiste uitleg voorgesteld, waartegenover niet alleen de Catechismus-Compendium
Catechismus van de Katholieke Kerk
(15 augustus 1997)
, maar ook Luthers geloofservaring als middeleeuwse dwaling moet worden gezien, die Luther in zijn tijd zich natuurlijk nog kon veroorloven; maar die ons niet meer betaamt.

Ons probleem is niet meer de ervaring van de last van onze zonde, maar de afwezigheid van zonde-ervaring, die dan weer op de afwezigheid van God en zijn onverschilligheid tegenover ons berust. Omdat het godsbeeld grondig is veranderd en uitgehold, is zonde een vreemd woord geworden, dat men liever niet gebruikt. Over zonde als niet meer gebruikt woord vgl. J. Pieper, Über den Begriff der Sünde, München 1977. Onze vraag is daarom ook niet: hoe vind ik vergeving, hoe vind ik een genadige God?, maar: hoe kom ik met mijzelf en de wereld terecht? Vermits God geen handelende en op mij persoonlijk betrokken God meer is, maar een regulatieve idee, daarom is met de vraag van de zonde ook die naar de genade zon­der voorwerp geworden. Om die reden breidt zich ook in de theologie zienderogen de mening uit dat het onzinnig is van een verzoeningsdood van Christus te spreken, van een genoegdoening, die Hij voor ons gerealiseerd heeft en die ons als gerechtigheid wordt aangerekend. Zijn dood is alleen nog een laatste liefdesdaad, niet meer en niet minder. Het pro nobis ("voor ons") heeft geen zin meer, omdat wij toch al geen verzoening meer nodig hebben, omdat Gods eer niet gekwetst werd, door mensen in geen geval kan gekwetst worden. Nogmaals: onze vraag is derhalve niet meer: hoe verkrijg ik een genadige God?, maar: wat heeft mijn leven met God van doen? Heeft God eigenlijk iets met mij te maken? En dan moet natuurlijk toch de vraag opduiken: hoe kan schuld overwonnen worden, hoe kan ik van de last van mijn schuld bevrijd worden? Hoe is het mogelijk dat ik mijzelf en de anderen en de wereld en zelfs God aanvaard? De God, die toch Auschwitz toegelaten heeft en die mij naar alle schijn in mijn lijden alleen laat, kan Hij mij wel genezen? Wil Hij het? 

Omdat God naar een soort deïstische behuizing verbannen is, omdat Christus een liefdevolle, maar toch mislukte Jezus geworden is, die hoogstens een richting aangeeft, maar niet méér, daarom worden nieuwe wegen naar verlossing gezocht, en wel naar verlossing in de heel empirische betekenis van het woord waarmee de psychotherapeuten iedere dag te maken hebben: de onbekwaamheid overwinnen om zichzelf te aanvaarden, de anderen te aanvaarden, zijn leven te verdragen. Dit is de wijze waarop zich de problematiek van de verlossing, waarover het in de rechtvaardigingsleer gaat, vandaag de dag aan de mens stelt.

Zelfs aan vrome lieden verschijnt daarbij de boodschap van de erfzonde, van de verlossende reddingsdaad van Christus aan het kruis, van het zich eigen maken van die redding door het geloof en in de gemeenschap van de Kerk als een verzameling van mythische beelden, waaruit men in het beste geval een recept tot juiste omgang met zichzelf kan distilleren (Drewermann!). Wat ons pater Keller vertelt, speelt zich af in een geschapen wereld waarin alles in orde is; de heel concrete, alledaagse verlossingsproblematiek komt bij hem niet voor. Maar in het leven van de mensen komt zij wel voor, en omdat men geen begrijpelijke christelijke antwoorden vindt, zoekt men ze op andere plaatsen: bij de wetenschap allereerst (psychotherapie en psychiatrie), voorts bij vreemde religieuze ervaringen, die per slot van rekening als wegen ter bevrijding van de last van het zelf of als wegen van eenwording met zichzelf en het universum aangeboden worden. 

De vraag van de mens van vandaag is niet meer die naar de zekerheid van zijn eeuwig heil: ofwel denkt men in het geheel niet aan het hiernamaals, waarvoor J. Schnädelbach ons onlangs heel nadrukkelijk heeft gewaarschuwd Schnädelbach, Philosophie in der modernen Kultur, Vorträge und Abhandlungen 3, Suhrkamp 2000. Op de controverse die Schnädelbach door zijn bijdrage "Der Fluch des Chrisrentums", in: Die Zeit, nr. 20, 11.5.2000, p. 41 e.v., heeft uitgelokt, moet hier niet ingegaan worden. Vgl. de evaluatie van het dispuut door M. Schuck, "Christenschelte in aufklärerischem Gewand", in: Materialdienst des Konfessionskundlichen Instituts Bensbeim, nr. 4, 2000, p. 66-70., of men stelt voorop dat God tenslotte niemand kan verdoemen en dat het zonder dat voor iedereen goed moet aflopen, gesteld dat er dan toch een hiernamaals zou bestaan. De bekommernis voor het heil in het hiernamaals is vandaag in sterke mate verzwonden, ook bij gelovige Christenen. Maar de vraag of mijn leven eigenlijk een doel heeft, wordt er alleen maar dringender om: de frustratie over het nietige zijn van de mens, de ontsteltenis over de leegte van het bestaan, verwordt steeds meer tot een onbekwaamheid om te leven en te beminnen en tot een obsessie van steeds fellere verdovingen. Niet de toorn van God ontstelt, maar zijn afwezigheid. En zo wordt natuurlijk een totaal nieuwe bezinning over heil en helen noodzakelijk: daarop moeten wij antwoorden.

In deze situatie doet de christelijke theologie haar plicht niet door zich met steeds subtielere onderscheidingen aan de tegenstrijdige begrippen van de zestiende eeuw vast te klampen. Zij moet zich van haar wezenlijke Bijbelse basis en haar kerkelijke erfenis bewust blijven en haar verlossingspotentieel vasthouden, maar zij moet dit potentieel toegankelijk maken in confrontatie tot de verlossingsproblematiek van nu. Wanneer wij dat doen, zullen we weldra zien dat de geschillen van de zestiende eeuw ons in deze zaak niet meer moeten scheiden. 

Wij moeten de God opnieuw leren verstaan die eeuwig is en toch juist zo volkomen relatie. De God die ons kent en die in ons de drang naar het oneindige ingeschapen heeft. De God die zelf zo klein (zo "dwaas") wilde worden dat Hij de mens ernstig neemt en, om zijnentwil beledigd, voor hen kan en wil lijden. Wij moeten Christus opnieuw leren kennen, die dat mede-lijden van God in persoon is. En wij zullen opnieuw ervaren, hoe bevrijding van het ik of stappen naar de aanvaarding ervan al een stuk kunnen helpen, maar dat de mens in de eerste plaats daarop aangelegd is geholpen te worden - bemind te worden, van buitenaf tot zichzelf en boven zichzelf te komen. En zo moeten wij opnieuw zonde en oordeel en genade leren verstaan, de verloren woorden oprapen, zuiveren en weer lichtend laten worden.

Document

Naam: DE CONSENSUS OVER DE RECHTVAARDIGINGSLEER
Soort: Joseph Kardinaal Ratzinger
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 4 november 1999
Copyrights: © 2000, International Katholiek Tijdschrift 'Communio', jrg. 25, nr. 6, p. 433-448
Vert. uit het Duits: P. Gilis; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Referenties naar dit document

 
Geen documenten gevonden!
 
Geen berichten gevonden!

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test