• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Zoals in het Oude Testament het Koninkrijk dikwijls onder beelden wordt geopenbaard, zo wordt ook nu het diepste wezen van de Kerk ons duidelijk door verschillende beelden, die ontleend zijn aan het herdersleven, de landbouw, aan het bouwen, aan het gezin of aan de bruiloft, beelden die in de boeken van de profeten reeds worden voorbereid.

De Kerk is immers een schaapstal, waarvan de énige en onvervangbare deur Christus is Vgl. Joh. 10, 1-10 . Zij is ook een kudde, waarvan God zichzelf als de herder heeft aangekondigd Vgl. Jes. 40, 11 Vgl. Ez. 34, 11. vv , en waarvan de schapen, ook al staan zij onder het gezag van menselijke herders, toch voortdurend geleid en gevoed worden door Christus zelf, de goede Herder en Opperherder Vgl. Joh. 10, 11 Vgl. 1 Pt. 5, 4 , die zijn leven heeft gegeven voor de schapen Vgl. Joh. 10, 11-15 .

De Kerk is Gods bouwland, Gods akker (1 Kor. 3, 9). Op die akker groeit de oude olijfboom, waarvan de patriarchen de heilige wortel waren, en waarin de verzoening van Joden en heidenen tot stand is gekomen en tot stand zal komen (Rom. 11, 13-26). De Kerk is door de hemelse Landbouwer geplant als een uitgelezen wijngaard (Mt. 21, 33-43, par.) Vgl. Jes. 5, 1. vv. . De ware wijnstok is Christus, die leven en vruchtbaarheid geeft aan de ranken, aan ons, die door de Kerk in Hem blijven en zonder wie wij niets kunnen (Joh. 15, 1-5).

Meermalen ook wordt de Kerk Gods bouwwerk genoemd (1 Kor. 3, 9). De Heer zelf heeft zich vergeleken met de steen, die de bouwlieden hebben afgekeurd, maar die de hoeksteen is geworden (Mt. 21, 42) Vgl. Hand. 4, 11 Vgl. 1 Pt. 2, 7 Vgl. Ps. 118, 22 . Op dit fundament wordt de Kerk gebouwd door de apostelen Vgl. 1 Kor. 3, 11 ; dit fundament geeft haar hechtheid en houdt haar tezamen.

Dit bouwwerk krijgt verschillende benamingen: het huis van God (1 Tim. 3, 15), waarin zijn gezin woont, de woonstede van God in de Geest (Ef. 2, 19-22), Gods woning onder de mensen (Openb. 21, 3), en vooral de heilige tempel, waarvan de heilige vaders het zinnebeeld vinden in de stenen heiligdommen, en die in de liturgie terecht wordt vergeleken met de heilige Stad, het nieuwe Jeruzalem. Vgl. Origenes van Alexandrië, In Mattheum Homiliae. 16, 21: P.G. 13, 1443C Vgl. Tertullianus, Adversus Marcionem. 3, 7: P.L. 2, 357C; CSEL 47, 3, p. 386 Vgl. voor de liturgische documentatie zie: Sacramentarium Gregorianum: P.L. 78, 160B, ofwel C. Mohlberg, Liber Sacramentorum Romanae ecclesiae, Romae 1960, p. 111, XC: "God die U uit heel de gemeenschap der heiligen een eeuwige woonplaats vormt...". De hymne Urbs Ierusalem beata in het Brevarium Monasticum en Coelestis urbs Ierusalem in het Romeins Brevier. Want in haar worden wij hier op aarde als levende stenen ingevoegd (1 Pt. 2, 5). Johannes ziet, hoe deze heilige stad, bij de hernieuwing van de wereld, van God neerdaalt uit de hemel "schoon als een bruid, die zich voor haar man heeft getooid" (Openb. 21, 1, v.).

De Kerk, die "het Jeruzalem van omhoog" en "onze Moeder" wordt genoemd (Gal. 4, 26) Vgl. Openb. 12,17 , wordt ook beschreven als de onbevlekte Bruid van het onbevlekte Lam (Openb. 19, 7)(Openb. 21, 2.9)(Openb. 22, 17), die Christus "heeft liefgehad en voor wie Hij zich heeft overgeleverd om haar te heiligen" (Ef. 5, 26), die Hij door een onverbreekbaar verbond met zich heeft verenigd en die Hij zonder ophouden "voedt en koestert" (Ef. 5, 29), die Hij heeft gereinigd, aan zich heeft verbonden en in liefde en trouw aan zich heeft onderworpen Vgl. Ef. 5, 24 , die Hij tenslotte voor eeuwig met een overvloed van hemelse goederen heeft verrijkt om Gods liefde en Christus' liefde, jegens ons, die alle kennis te boven gaat, te doen begrijpen Vgl. Ef. 3, 19 .

Maar omdat de Kerk hier op aarde ver is van de Heer Vgl. 2 Kor. 5, 6 , beschouwt zij zichzelf als in ballingschap. Daarom zoekt en streeft zij naar het hemelse, waar Christus zetelt aan de rechterhand Gods, waar het leven van de Kerk met Christus verborgen is in God, totdat zij eens met haar Bruidegom zal verschijnen in heerlijkheid Vgl. Kol. 3, 1-4 .

De Zoon van God heeft in de menselijke natuur, die Hij had aangenomen, door zijn dood en verrijzenis de dood overwonnen en zo de mens verlost en omgevormd tot een nieuw schepsel Vgl. Gal. 5, 15 Vgl. 2 Kor. 5, 17 . Want door de mededeling van zijn Geest heeft Hij zijn broeders uit alle volken bijeengeroepen en hen op mystieke wijze tot zijn lichaam gemaakt.

In dit lichaam stroomt het leven van Christus uit naar de gelovigen, die door de sacramenten op mystieke en reële wijze worden verenigd met de gestorven en verrezen Christus. Vgl. H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. III, q. 62, a. 5, ad 1 Want door het doopsel worden wij gelijkvormig aan Christus: "Wij allen zijn immers in de kracht van één en dezelfde Geest door het doopsel één enkel lichaam geworden" (1 Kor. 12, 13). Door deze heilige ritus wordt het deelnemen aan de dood en de verrijzenis van Christus uitgedrukt en verwezenlijkt: "Door de doop in zijn dood zijn wij met Hem begraven"; en als wij "één met Hem zijn geworden door het beeld van zijn dood, dan moeten wij Hem ook volgen in zijn opstanding" (Rom. 6, 4-5). Doordat wij bij het breken van het eucharistisch brood waarachtig deelhebben aan het lichaam des Heren, worden wij verheven tot de gemeenschap met Hem en met elkander: "Omdat het brood één is, vormen wij allen tezamen één lichaam, want allen hebben wij deel van het éne brood" (1 Kor. 10, 17). Zo worden wij allen ledematen van dat lichaam Vgl. 1 Kor. 12, 27 "en als enkelingen zijn wij ledematen, op elkander aangewezen" (Rom. 12, 5).

Gelijk nu alle ledematen van het menselijk lichaam, hoevele ook, tezamen toch één lichaam uitmaken, zo ook de gelovigen in Christus Vgl. 1 Kor. 12, 12 . Ook bij de opbouw van het lichaam van Christus is er verscheidenheid van ledematen en functies. Het is één en dezelfde Geest, die zijn verschillende gaven uitdeelt tot nut van de Kerk, volgens zijn rijkdom en overeenkomstig de eisen van de verschillende bedieningen Vgl. 1 Kor. 12, 1-11 . Onder deze gaven staat bovenaan de genade, die geschonken werd aan de apostelen, aan wier gezag de Geest zelf ook aan de charismatici onderwerpt Vgl. 1 Kor. 14 . Dezelfde Geest maakt het lichaam één door zichzelf en door zijn kracht en door de innerlijke verbondenheid van de ledematen; en zó wekt en stimuleert Hij de liefde onder de gelovigen. Als daarom één lid lijdt, delen alle ledematen in het lijden; wordt één lid geëerd delen alle in de vreugde Vgl. 1 Kor. 12, 26 .

Het hoofd van dit lichaam is Christus. Hij is het Beeld van de onzichtbare God en in Hem is alles geschapen. Hij bestaat vóór allen, en alles bestaat in Hem. Hij is het Hoofd van het lichaam, dat de Kerk is. Hij is de Oorsprong, de Eerstgeborene uit de doden, opdat Hij is alles de eerste zou zijn Vgl. Kol. 1, 15-18 . Door de grootheid van zijn macht heerst Hij over het hemelse en het aardse, en door zijn alles overtreffende volmaaktheid en zijn werking vervult Hij heel het lichaam met de rijkdom van zijn heerlijkheid Vgl. Ef. 1, 18-23 . Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 35

Alle ledematen moeten aan Hem gelijkvormig worden, totdat Christus in hen gevormd is Vgl. Gal. 4, 19 . Daarom worden wij opgenomen in de mysteries van zijn leven, aan Hem gelijkvormig, met Hem gestorven en met Hem verrezen, om eens met Hem te heersen Vgl. Fil. 3, 21. etc. Vgl. 2 Tim. 2, 11. etc. Vgl. Ef. 2, 6. etc. Vgl. Kol. 2, 12. etc. . Nog pelgrims op aarde, Hem volgend in lijden en vervolging, worden wij één met Hem in zijn lijden, gelijk het lichaam met het hoofd; wij delen in zijn lijden om ook te delen in zijn verheerlijking Vgl. Rom. 8, 17 .

Van Hem "moet het gehele lichaam, door geledingen en verbindingen gestut en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangen" (Kol. 2, 19). Hij zelf zorgt, dat er in zijn lichaam, de Kerk, voortdurend de gaven zijn van de bedieningen, waarin, wij, door zijn kracht, elkaar van dienst zijn voor ons heil, opdat wij ons in liefde aan de waarheid houden en in ieder opzicht toegroeien naar Hem, die ons Hoofd is Vgl. Ef. 4, 11-16. grieks .

Om ons voortdurend te vernieuwen in zichzelf Vgl. Ef. 4, 23 , heeft Hij ons meegedeeld van zijn Geest, die één en dezelfde is in het Hoofd en in de ledematen en die aan heel het lichaam zó leven, eenheid en stuwing geeft, dat de heilige vaders zijn taak hebben vergeleken met de functie, die het levensbeginsel, de ziel, heeft in het menselijk lichaam. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de Heilige Geest, Divinum Illud Munus (9 mei 1897), 33 Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 56 H. Augustinus, Preken, Sermones. 268, 2: P.L. 38,1232 H. Johannes Chrysostomos, Preken over de Brief aan de Efeziërs, In epistulam ad Ephesios. 9,3: P.G. 62, 72 Didymus van Alexandrië, Over de Drie-eenheid, De Trinitate. 2, 1: P.G. 39, 449s. H. Thomas van Aquino, Over brief aan de Kolossensen, In Col.. 1, 18, lect. 5; ed. Marietti, II, n. 46:"Gelijk er één lichaam ontstaat uit de eenheid van de ziel, zo de Kerk uit de eenheid van de Geest...".

Christus nu heeft de Kerk lief als zijn bruid en is daardoor het voorbeeld voor de man, die zijn vrouw moet liefhebben als zijn eigen lichaam Vgl. Ef. 5, 25-28 . De Kerk van haar kant is onderdanig aan haar Hoofd (Ef. 5, 23-24). "Omdat in Hem de gehele volheid der Godheid lichamelijk woont" (Kol. 2, 9), vervult Hij de Kerk, die zijn lichaam en zijn volheid is, met zijn goddelijke gaven Vgl. Ef. 1, 22-23 , opdat zij mag streven naar de gehele volheid Gods en deze mag bereiken Vgl. Ef. 3, 19 .

De enige Middelaar Christus heeft zijn heilige Kerk, de gemeenschap van geloof, hoop en liefde hier op aarde, als een zichtbaar geheel gevestigd, dat Hij voortdurend in stand houdt Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de voornaamste plichten van de christelijke burgers, Sapientiae Christianae (10 jan 1890), 28 Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de eenheid van de Kerk, Satis Cognitum (29 juni 1886), 12.68-71 Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 14 en waardoor Hij aan allen de waarheid en de genade meedeelt. Men mag echter de gemeenschap met haar hiërarchische structuur en het mystieke lichaam van Christus, het zichtbare geheel en de geestelijke gemeenschap, de aardse Kerk en de met hemelse gaven verrijkte Kerk, niet beschouwen als twee verschillende dingen; integendeel, ze vormen één alomvattende werkelijkheid, bestaande uit een menselijk en goddelijk element. Paus Pius XII, Encycliek, Over het mystieke lichaam van Christus en over de vereniging die wij daarin bezitten met Christus, Mystici Corporis Christi (29 juni 1943), 59-64 Paus Pius XII, Encycliek, Over sommige valse meningen die de grondslagen van de Katholieke leer dreigen te ondermijnen, Humani Generis (12 aug 1950), 27 Daarom kan men de Kerk, op grond van een sterke analogie, vergelijken met het mysterie van het mensgeworden Woord. Want gelijk de aangenomen menselijke natuur ten dienste staat van het goddelijk Woord als een levend heilsorgaan, dat onafscheidelijk met Hem is verbonden, zo kan men eveneens zeggen, dat het sociale geheel van de Kerk ten dienste staat van de Geest van Christus, die er het leven aan geeft tot groei van het lichaam. Vgl. Ef. 4, 16 Vgl. Paus Leo XIII, Encycliek, Over de eenheid van de Kerk, Satis Cognitum (29 juni 1886), 25

Dit is de enige Kerk van Christus, waarvan wij in het Symbolum belijden, dat zij één, heilig, katholiek en apostolisch is. Vgl. Geloofsbelijdenis, Symbolum Apostolicum, 1-4 Vgl. Paus Pius IV, Bul, De geloofsbelijdenis van Trente, Iniunctum nobis (13 nov 1564), 1.7 1e Concilie van Constantinopel, Credo van Nicea - Constantinopel (31 juli 381) Over deze Kerk heeft onze Verlosser, na zijn verrijzenis, Petrus als herder aangesteld Vgl. Joh. 21, 17 ; Hij heeft aan hem en de andere apostelen de opdracht gegeven, haar te verbreiden en te besturen Vgl. Mt. 28, 18. vv. ; en Hij heeft haar voor altijd gevestigd als "pijler en grondslag van de waarheid" (1 Tim. 3,15). Deze Kerk, in deze wereld gesticht en gestructureerd als een maatschappij, wordt gevonden in N.v.d.r.: "subsistit in" de katholieke Kerk, bestuurd door de opvolger van Petrus en door de bisschoppen, die met hem in vereniging leven Paus Pius IV, Bul, De geloofsbelijdenis van Trente, Iniunctum nobis (13 nov 1564). Hierin wordt zij genoemd "de heilige (katholieke apostolische) Roomse Kerk" 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 2, ofschoon men buiten haar meerdere elementen van heiliging en waarheid vindt, die, als eigen gaven van Christus' Kerk, een uitnodiging zijn tot de katholieke eenheid.

Zoals echter Christus het verlossingswerk heeft volbracht in armoede en vervolging, zo is de Kerk geroepen dezelfde weg te gaan, wil zij de vruchten van het heil aan de mensen kunnen meedelen. Christus Jezus, "die bestond in goddelijke majesteit, ... heeft zichzelf ontledigd door het bestaan van een dienstknecht op zich te nemen" (Fil. 2, 6), en om onzentwil "is Hij arm geworden, terwijl Hij rijk was" (2 Kor. 8,9). Zo wordt de Kerk, hoewel zij voor het volbrengen van haar zending menselijke hulpmiddelen nodig heeft, niet gedreven tot het zoeken van aardse glorie, maar tot het verbreiden van nederigheid en zelfverloochening, ook door haar voorbeeld. Christus is door de Vader gezonden om "aan de armen de blijde boodschap te brengen, ... de bedroefden te genezen" (Lc. 4, 18), "om te zoeken en te redden wat verloren was" (Lc. 19, 10). Zo omringt ook de Kerk met haar liefde allen, die onder menselijke zwakheid gedrukt gaan; zij ziet zelfs in de armen en lijdenden het beeld van haar arme en lijdende Stichter, zij tracht hun nood te verlichten, en in hen wil zij Christus dienen. Terwijl echter Christus, "heilig, schuldeloos en onbesmet" (Hebr. 7, 26) is en geen zonde heeft gekend (2 Kor. 5, 21), maar alleen de zonden van het volk kwam uitboeten Vgl. Hebr. 2, 17 , heeft de Kerk zondaars in haar midden; zij is heilig en moet zich tevens altijd weer zuiveren, en daarom is zij voortdurend bezig boete te doen en zich te vernieuwen.

De Kerk "trekt voort op haar pelgrimstocht te midden van de vervolgingen van de wereld en de vertroostingen van God" H. Augustinus, Over de Stad Gods, De Civitate Dei. XVIII, 51, 2: PL 41, 614, het kruis en de dood verkondigend van de Heer, totdat Hij wederkomt. Vgl. 1 Kor. 11, 26 Maar de kracht van de verrezen Heer geeft haar sterkte om haar lijden en moeilijkheden, zowel die van binnen komen als van buiten, door geduld en liefde te kunnen overwinnen, en het Christus-mysterie getrouw, zij het dan ook versluierd, in de wereld te kunnen openbaren, totdat het eens in het volle licht gemanifesteerd zal worden.

Document

Naam: LUMEN GENTIUM
Over de Kerk
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Datum: 21 november 1964
Copyrights: © 1965, Ecclesia Docens nr. 0713. Uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 6 oktober 2022

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test