• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

De aard van de menselijke persoon brengt met zich mee, dat hij zijn werkelijk en volledig menselijk levensniveau slechts kan bereiken langs de weg van de cultuur, d.w.z. door de goederen en de waarden van de natuur te cultiveren. Waar het dus gaat over het menselijk leven, zijn de natuur en de cultuur altijd ten nauwste met elkaar verbonden.

Onder "cultuur” in algemene zin verstaat men alles, waardoor de mens zijn velerlei geestelijke en lichamelijke capaciteiten verfijnt en ontplooit, er naar streeft om door zijn kennis en arbeid het heelal aan zich te onderwerpen, het sociale leven zowel in het gezin als in de gehele maatschappij menselijker maakt door hoogstaande zeden en volmaaktere instellingen, en tenslotte de grote geestelijke ervaringen en aspiraties van de mens in de loop der tijden uitdrukt, doorgeeft en bewaart in zijn werken, tot nut van velen en zelfs van de gehele mensheid.

Hieruit volgt, dat de menselijke cultuur uiteraard een historisch en sociaal aspect vertoont, en dat het woord "cultuur” dikwijls en sociologische en etnologische betekenis heeft. In deze zin spreekt men van een veelheid van culturen. Want de verschillende manieren, waarop men zich van de dingen bedient, waarop men arbeidt en zich uitdrukt, waarop men de godsdienst beleeft en het zedelijk leven regelt, waarop men wetten maakt en juridische instellingen schept, de wetenschap en de kunst ontwikkelt en het schone cultiveert, doen verschillende levensstijlen ontstaan en verschillende vormen om de waarden van het leven harmonisch met elkaar te verbinden. Zo groeit uit de traditionele gebruiken het eigen erfgoed van iedere menselijke groepering. Zo ontstaat ook een afgebakend en historisch milieu, waarin iedere mens, uit welk volk en uit welke tijd ook, wordt geplaatst, en dat hem de middelen biedt om de cultuur te bevorderen.

De levensomstandigheden van de moderne mens hebben in sociaal en cultureel opzicht zulke ingrijpende veranderingen ondergaan, dat men kan spreken van een nieuw tijdperk in de mensengeschiedenis. Alinea 4-10 Dit opent nieuwe wegen voor een vervolmaking en een grotere verbreiding van de cultuur. Deze wegen zijn voorbereid door de enorme vlucht van de wetenschap op natuurkundig, menselijk en ook sociaal gebied door de vooruitgang van de techniek en door de ontwikkeling en betere organisatie van de communicatiemiddelen. Dit drukt op de cultuur van onze tijd een heel eigen stempel: de z.g. „exacte” wetenschappen werken sterk de kritische zin in de hand, de nieuwere psychologische studies ontleden dieper de menselijke activiteit; de historische wetenschappen doen sterk het aspect van veranderlijkheid en ontwikkelingen in de dingen uitkomen; er komt een steeds grotere eenvormigheid van levenswijzen en gewoonten; de industrialisatie, de verstedelijking en andere factoren, die het samenleven van grote menigten bevorderen, scheppen nieuwe vormen van cultuur, (massacultuur), waaruit nieuwe manieren van denken, handelen en vrijetijdsbesteding voortkomen. Tevens maakt het groeiend contact tussen de verschillende volken en maatschappelijke groeperingen de rijkdommen van de verschillende culturen meer toegankelijk voor allen en voor ieder afzonderlijk, en zo vormt zich geleidelijk een meer universeel type van cultuur, dat des te meer de eenheid van de mensheid bevordert en tot uitdrukking brengt naar mate het de eigenheden van de verschillende culturen meer eerbiedigt.

In iedere groepering en in ieder volk groeit bij steeds meer mannen en vrouwen het bewustzijn, dat zij de bouwers en makers zijn van de cultuur van hun gemeenschap. In heel de wereld ontwikkelt zich voortdurend de zin voor autonomie en verantwoordelijkheid, hetgeen van het hoogste belang is voor de geestelijke en zedelijke rijpheid van het mensdom. Dit komt nog beter uit, wanneer men de eenwording van de wereld voor ogen houdt en de opdracht, die is gegeven om een betere wereld op te bouwen in waarheid en rechtvaardigheid. Zo zijn wij getuigen van het ontstaan van een nieuw humanisme, waarin als voornaamste karaktertrek van de mens geldt: zijn verantwoordelijkheid tegenover zijn broeders en tegenover de geschiedenis.

Gezien deze omstandigheden is het niet te verwonderen, dat de mens, die zijn verantwoordelijkheid voelt voor de vooruitgang van de cultuur, hoge verwachtingen koestert, maar tevens met bezorgdheid de vele schijnbare tegenstrijdigheden beschouwt, die hij moet oplossen.

  • Hoe kan men voorkomen, dat de intensere culturele contacten, die zouden moeten voeren tot een echte en vruchtbare dialoog tussen de verschillende groepen en volken. Het leven van de gemeenschappen verstoren, het voorvaderlijk erfgoed aan wijsheid vernietigen en het eigen karakter van de volken in gevaar brengen?
  • Hoe kan men de dynamiek en de expansiedrang van de nieuwe cultuur begunstigen zonder de levende trouw aan het traditionele erfgoed te verliezen? Deze vraag is vooral urgent, waar men de cultuur, die de vrucht is van de enorme vooruitgang van wetenschap en techniek, harmonisch moet verbinden met de cultuur, die haar wortels heeft in de klassieke studies, overeenkomstig de verschillende tradities.
  • Hoe kan men de zo snelle en steeds toenemende versnippering van de wetenschap als gevolg van de specialisatie combineren met de eis van een wetenschappelijke synthese en met de noodzaak om in de mens het vermogen te bewaren tot beschouwen en bewonderen, waardoor hij komt tot de wijsheid?
  • Hoe de grote massa over de gehele wereld laten delen in de weldaden van de cultuur, nu de cultuur van de specialisten steeds verfijnder en ingewikkelder wordt?
  • Hoe tenslotte de autonomie, die de cultuur voor zich opeist, als wettig erkennen, zonder te vervallen tot een louter aards en zelfs godsdienstvijandig humanisme?

Te midden van deze tegenstrijdigheden moet de cultuur zich in onze tijd zó ontwikkelen dat ze de menselijke persoon volledig en harmonisch tot ontplooiing brengt en dat ze de mens helpt bij het vervullen van de taken, waartoe allen en vooral de christenen zijn geroepen, broederlijk met elkaar verbonden in de ene grote mensenfamilie.

De Christenen, op pelgrimstocht naar de hemelse Stad, moeten zoeken „wat boven is” en hun hart richten op het hemelse Vgl. Kol. 3, 1-2 ; dit vermindert echter niet, maar verzwaart veeleer de ernst van hun verplichting om samen met alle mensen te werken aan de opbouw van een meer menselijke wereld. Inderdaad, het mysterie van het christelijk geloof is voor hen een waardevolle prikkel en biedt hun kostbare hulpmiddelen om die taak met meer bezieling te vervullen en vooral om de volledige betekenis te ontdekken van dit werk, n.l. de cultuur een belangrijke plaats te geven in de volledige roeping van de mens.

Want, wanneer de mens door zijn handenarbeid of met behulp van de techniek de aarde bewerkt om haar vruchten te doen voortbrengen en haar te maken tot een waardige woonplaats voor de gehele mensenfamilie, en wanneer hij bewust deelneemt aan het leven van de sociale groeperingen, brengt hij Gods plan ten uitvoer, dat geopenbaard is bij het begin van de tijd, n.l. dat hij de aarde zou beheersen Vgl. Gen. 1, 28 en de schepping zou vervolmaken; en hierdoor vervolmaakt hij ook zich zelf. Tevens volbrengt hij het grote gebod van Christus, zich te wijden aan de dienst van zijn broeders.

Verder: wanneer de mens de verschillende wetenschappen beoefent, zoals de filosofie, de geschiedenis, de wiskunde en de natuurkunde, en wanneer hij zich wijdt aan de kunst, kan hij er machtig toe bijdragen de geest van de mensheid te openen voor de verhevener waarden van het ware, goede en schone, en voor een universele visie op de dingen. Zo zal de mensheid een helderder licht ontvangen van de wonderbare wijsheid, die van eeuwigheid bij God was, alles met hem ordende, speelde op zijn wereldrond en haar vreugde vond bij de kinderen der mensen. Vgl. Spr. 8, 30-31

Door dit feit zelf kan de mens, minder slaaf van de dingen, zich vrijer verheffen tot de aanbidding en beschouwing van Schepper. Hij krijgt zelfs, onder de stuwing van de genade, de juiste gesteltenis om het Woord Gods te erkennen, dat, alvorens mens te worden om alles te redden en in zich zelf op te nemen, reeds „in de wereld was” als „het ware licht, dat iedere mens verlicht” . (Joh. 1, 9-10) Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. III, 11, 8: ed. Sagnard, p. 200 Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. 16, 6: ed. Sagnard, p. 290-292 Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. 21, 10-22: ed. Sagnard, p. 370-372 Vgl. H. Ireneüs van Lyon, Tegen de ketters, Adversus Haereses. 22, 3: ed. Sagnard, p. 378 enz.).

Zeker, de moderne vooruitgang van de wetenschappen en de techniek, die met haar methode niet kunnen doordringen tot het diepste wezen van de dingen, kan een zeker fenomenologie en een zeker agnosticisme in de hand werken, wanneer de onderzoekingsmethode, waarmee deze wetenschappen werken, ten onrechte wordt beschouwd als de hoogste regel voor het ontdekken van de gehele waarheid. Er bestaat zelfs gevaar, dat de mens, in een overdreven vertrouwen op de moderne uitvindingen, meent zich zelf genoeg te zijn, en niet langer hogere waarden nastreeft.

Deze nadelige gevolgen vloeien echter niet noodzakelijk voort uit de moderne cultuur en mogen ons niet in de verleiding brengen, haar positieve waarden te miskennen. Deze zijn o.a.: de toeleg op de wetenschap en de strikte trouw aan de waarheid bij het wetenschappelijk onderzoek, de noodzaak om met anderen samen te werken in technisch teamverband, het gevoel voor internationale solidariteit, het steeds sterker besef bij de deskundigen van hun verantwoordelijkheid bij het helpen en het beschermen van de mensen, de wil om gunstiger levensomstandigheden te scheppen voor allen, vooral voor hen, die niet in staat zijn tot persoonlijke verantwoordelijkheid of arm zijn aan cultuur. Dit alles kan een zekere voorbereiding zijn op het aanvaarden van de boodschap van het Evangelie, en deze voorbereiding kan haar verwezenlijking krijgen door de goddelijke liefde van Hem, die gekomen is om de wereld te redden.

Tussen de heilsboodschap en de cultuur bestaan vele banden. Want bij zijn openbaring aan zijn volk tot aan de volledige openbaring van zich zelf in zijn mensgeworden Zoon heeft God gesproken volgens het cultuurtype van de verschillende tijdperken.

Insgelijks heeft de Kerk, die in de loop van de tijden in allerlei wisselende omstandigheden heeft geleefd, zich bediend van de hulpmiddelen van de verschillende culturen om in haar prediking de boodschap van Christus te verbreiden onder alle volken en haar te verklaren, om haar uit te diepen en beter te begrijpen, en om haar bij de liturgische viering en in het gevarieerde leven van de gemeenschap der gelovigen volmaakter tot uitdrukking te brengen.

Maar van de andere kant bindt de Kerk, gezonden als zij is tot alle volken van iedere tijd en plaats, zich niet op een exclusieve en onverbrekelijke wijze aan enig ras of volk, aan een speciale levensvorm aan een oude of nieuwe gewoonte. Trouw aan haar eigen traditie en zich tevens bewust van haar universele zending, kan zij in gemeenschap treden met de verschillende cultuurvormen; en deze gemeenschap betekent een verrijking voor de Kerk zelf en voor de verschillende culturen.

De blijde boodschap van Christus hernieuwt voortdurend het leven en de cultuur van de gevallen mens en bestrijdt en verwijdert het kwaad en de dwalingen, die het gevolg zijn van de steeds dreigende verleiding van de zonde. Ze houdt niet op het zedelijk leven van de volken te zuiveren en te verdelen. Met hemelse rijkdom bevrucht ze van binnen uit de geestelijke kwaliteiten en de bijzondere gaven van ieder volk en iedere tijd, versterkt en vervolmaakt deze en herstelt ze in Christus. Vgl. Ef. 1, 10 Zo geeft de Kerk reeds door het feit zelf, dat zij haar eigen zending vervult Vgl. Paus Pius XI, Brief, Tot mgr. Roland-Gosselin (1 jan 1936). „Men mag nooit vergeten, dat het doel van de Kerk is: het Evangelie te prediken, en niet, de beschaving te brengen. Als zij de beschaving brengt, dan doet zij dat door de Evangelieprediking.” (Semaines sociales de France, Versailles, 1936, p. 461-462)., een stimulans en een bijdrage tot de menselijke en burgerlijke beschaving, en door haar activiteit ook haar liturgische activiteit, voedt zij de mens op tot innerlijke vrijheid.

Om de boven genoemde redenen wijst de Kerk allen er op, dat de cultuur gericht moet zijn op de volledige vervolmaking van de menselijke persoon, op het welzijn van de gemeenschap en van de gehele menselijke samenleving. Daarom moet de geest zó worden gevormd, dat de mens gemakkelijker kan komen tot bewondering, intuïtie, beschouwing, tot een persoonlijk oordeel en tot de ontwikkeling van zijn godsdienstig, zedelijk en sociaal besef.

Omdat immers de cultuur onmiddellijk voortvloeit uit de redelijke en sociale natuur van de mens, heeft ze voortdurend behoefte aan een passende vrijheid om zich te kunnen ontplooien, en aan een rechtmatige autonomie van handelen volgens haar eigen beginselen. Ze kan dus met recht aanspraak maken op respect en zij geniet een zekere onschendbaarheid, natuurlijk met eerbiediging van de rechten van de persoon en de gemeenschap, de particuliere en universele gemeenschap, binnen de grenzen van het algemeen welzijn.

Met verwijzing naar de leer van het Eerste Vaticaans Concilie verklaart de heilige Synode, "dat er twee orden van kennen bestaan”, van elkaar onderscheiden, n.l. die van het geloof en die van de rede, en dat de Kerk zich er niet tegen verzet, dat „de menselijke kunsten en wetenschappen... zich op hun respectieve gebieden bedienen van hun eigen beginselen en methoden” ; daarom bevestigt zij, „met erkenning van deze rechtmatige vrijheid”, de wettige autonomie van de cultuur en vooral van de wetenschappen. Vgl. 1e Vaticaans Concilie, 3e Zitting - Dogmatische Constitutie over het Katholieke Geloof, Dei Filius (24 apr 1870), 17.21 Vgl. Paus Pius XI, Encycliek, Over de aanpassing van de sociale orde, Quadragesimo Anno (15 mei 1931), 41-43

Dit alles houdt ook in, dat de mens, met eerbiediging van de zedelijke orde en het algemeen welzijn, vrij de waarheid moet kunnen zoeken, vrijheid moet hebben van meningsuiting en propaganda en de vrijheid om iedere soort van kunst te beoefenen, en tenslotte, dat hij het recht heeft op een waarheidsgetrouwe voorlichting omtrent de publieke gebeurtenissen. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 14-15

De publieke overheid heeft tot taak, niet het eigen karakter van de cultuurvormen te bepalen, maar de voorwaarden te Scheppen en de geëigende middelen te verschaffen ter bevordering van het culturele leven bij alle mensen, ook bij de minderheden in een bepaald land. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 60-62 Vgl. Paus Pius XII, Radiotoespraak, Kerstboodschap 1941, Nell'alba (24 dec 1941), 21-27 Daarom moet tot elke prijs vermeden worden, dat de cultuur een politiek of economisch machtsmiddel wordt, hetgeen volkomen in strijd zou zijn met haar doel.

Omdat er op het ogenblik de mogelijkheid bestaat, zeer veel mensen te bevrijden van de plaag der onwetendheid, is het, vooral voor de christenen, een plicht, die volkomen past in het kader van onze tijd, om zowel op economisch als op politiek gebied zowel op nationaal als op internationaal vlak, onvermoeid mee te werken aan het opstellen van fundamentele beginselen, die het recht van allen op cultuur overeenkomstig de waardigheid van de persoon, zonder onderscheid van ras, sekse, godsdienst of stand, overal ter wereld erkennen en trachten te realiseren. Daarom moet aan iedereen een voldoende mate van cultuurgoederen worden verschaft, vooral van die goederen, die de z.g. „basiscultuur” uitmaken; anders zouden zeer velen, vanwege analfabetisme en bij gebrek aan een verantwoordelijke activiteit, niet in staat zijn om op werkelijk menselijke wijze mee te werken aan het algemeen welzijn.

bijgevolg moet men er naar streven, om begaafde personen de gelegenheid te geven hogere studies te maken, zodat zij, voor zover dat mogelijk is, in de menselijke samenleving ambten en taken kunnen vervullen en diensten bewijzen, overeenkomstig hun capaciteiten en opgedane bekwaamheden. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Encycliek, Vrede op aarde, Pacem in Terris (11 apr 1963), 14-15 Zo zullen elk individu en iedere sociale groepering van elk volk kunnen komen tot de volledige ontplooiing van hun culturele leven, dat geheel is afgestemd op hun talenten en tradities.

Bovendien moet men alles doen om iedereen het besef bij te brengen van zijn recht en zijn plicht zich zelf cultureel te ontwikkelen en anderen in dit opzicht te helpen. Want er zijn soms levens- en arbeidsomstandigheden, die een beletsel vormen voor het streven van de mensen naar cultuur en die hun iedere interesse voor de cultuur ontnemen. Dit geldt heel bijzonder van de landbouwers en van de arbeiders; men moet voor dezen derhalve arbeidsvoorwaarden scheppen, die hun culturele ontwikkeling niet belemmeren, maar veeleer stimuleren. De vrouwen werken tegenwoordig reeds in bijna alle sectoren van het leven; het is echter wenselijk, dat zij volledig actief kunnen zijn overeenkomstig haar eigen aard. Allen behoren de specifieke en noodzakelijke deelname van de vrouw aan het culturele leven te erkennen en te begunstigen.

Tegenwoordig is het veel moeilijker dan vroeger, een harmonische synthese tot stand te brengen tussen de verschillende takken van wetenschap en kunst.

Want, terwijl de veelheid en de verscheidenheid van de cultuurelementen toenemen, neemt tevens bij de afzonderlijke personen het vermogen, om deze elementen te onderscheiden en ze organisch samen te voegen, steeds meer af, zodat het type van de „universele mens” meer en meer verdwijnt. Toch blijft op iedere mens de plicht rusten, rekening te houden met de gehele menselijke persoon, in wie de waarden van verstand, wil, geweten en broederlijkheid de eerste plaats innemen, waarden, die alle hun grondslag hebben in God, de Schepper, en die Christus op wonderbare wijze zijn genezen en veredeld.

Het gezin is op de eerste plaats als het ware de moeder en de voedingsbodem van deze vorming; daarin leren de kinderen, in een sfeer van liefde, gemakkelijker de hiërarchie der waarden kennen, en nemen zij, naar mate zij ouder worden, de beproefde menselijke cultuurvormen als vanzelf in zich op.

Voor deze vorming beschikt de moderne samenleving, vooral door de groeiende verspreiding van lectuur en door nieuwe culturele en sociale communicatiemiddelen, over mogelijkheden om een universele cultuur tot stand te brengen. Want nu bijna overal de arbeidstijd is verkort, krijgen de meeste mensen steeds meer gelegenheid zich zelf te ontwikkelen. Men moet de vrije tijd goed besteden, tot ontspanning en tot versterking van de gezondheid van geest in lichaam, en wel door vrije bezigheden en studies en door reizen naar andere landen (toerisme), dingen, die de menselijke geest verfijnen en de mensen en verrijking schenken door wederzijdse kennismaking. Verder door lichamelijke oefeningen en door sport, die een uitstekende bijdrage kunnen leveren tot het bewaren van het geestelijk evenwicht, ook in de gemeenschap, en tot het vestigen van broederlijke contacten tussen de mensen van alle standen, volken of rassen. De christenen moeten dus door hun samenwerking de collectieve cultuuruitingen en cultuuractiviteiten van de tegenwoordige tijd met een menselijke en christelijke geest trachten te doordringen.

Maar al deze gunstige factoren zouden niets baten voor een alzijdige culturele vorming van de cultuur en van de wetenschap voor de menselijke persoon.

Ofschoon de Kerk grote verdiensten heeft voor de vooruitgang van de cultuur, blijkt toch uit de ervaring, dat het vanwege allerlei bijkomstige oorzaken niet altijd gemakkelijk is, een harmonie tot stand te brengen tussen cultuur en christendom.

Deze moeilijkheden hoeven niet noodzakelijk schade toe te brengen aan het geloofsleven; ze kunnen de geest zelfs prikkelen tot een nauwkeuriger en dieper verstaan van het geloof. Want de nieuwere onderzoekingen en resultaten van de wetenschappen, van de geschiedenis en de filosofie, roepen nieuwe problemen op, die ook hun consequenties hebben voor het leven, en die ook van de theologen nieuwe studies vragen.

Dit betekent voor de theologen een uitnodiging om, met eerbiediging van de eigen methoden en eisen van de theologische wetenschap, te blijven zoeken naar een meer aangepaste wijze om de christelijke leer door te geven aan de mensen van hun tijd; want de schat zelf of de waarheden van het geloof en de manier om deze te formuleren, altijd met behoud van hun zin en hun betekenis, zijn twee verschillende dingen. Vgl. H. Paus Johannes XXIII, Toespraak, Openingstoespraak Tweede Vaticaans Concilie, Gaudet Mater Ecclesia (11 okt 1962), 30 Bij de zielzorg moet men een behoorlijke kennis hebben niet alleen van de theologische beginselen, maar tevens van de resultaten der profane wetenschappen, vooral van de psychologie en de sociologie, en deze ook toepassen; dan zullen ook de gelovigen verrijkt worden met een zuiverder en rijper geloofsleven.

Eveneens zijn literatuur en kunst op haar eigen wijze van groot belang voor het leven van de Kerk. Want ze trachten door te dringen in de eigen aard van de mens, zijn problemen en zijn ervaring bij zijn streven om zich zelf en de wereld te leren kennen en te vervolmaken. Ze trachten de plaats van de mens in de geschiedenis en in het heelal te ontdekken, het leed en de vreugde, de noden en de energie van de mensen te belichten en een schets te ontwerpen van een gelukkiger menselijk bestaan. Zo kunnen ze het menselijk leven veredelen, dat zij uitbeelden in de meest verscheiden vormen naar gelang van tijd en plaats.

Men moet er dus voor zorgen, dat de beoefenaars van die kunsten zich in hun werk door de Kerk begrepen voelen, een normale vrijheid genieten en zo gemakkelijker contacten kunnen leggen met de christelijke gemeenschap. Ook de nieuwe vormen van kunst, die beantwoorden aan de mentaliteit van onze tijdgenoten overeenkomstig het karakter van de verschillende volken en landen, moeten door de Kerk worden erkend. En men moet ze in de kerken toelaten, wanneer ze door een passende expressie en door een stijl, die in overeenstemming is met de eisen van de liturgie, de geest tot God verheffen. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de heilige liturgie, Sacrosanctum Concilium (4 dec 1963), 123 Vgl. H. Paus Paulus VI, Toespraak, Tijdens de plechtige viering van 's Heren Hemelvaart - Sixtijnse Kapel, Tot de Italiaanse vereniging van kunstenaars (7 mei 1964)

Zo wordt de kennis omtrent God markanter uitgedrukt en wordt de prediking van het evangelie duidelijker voor het begrip van de mensen en als het ware verweven met hun levensomstandigheden.

De gelovigen moeten dus leven in nauwe verbondenheid met de andere mensen van hun tijd en trachten, hun wijzen van denken en voelen, zoals ze door de cultuur tot uitdrukking worden gebracht, zo volledig mogelijk te begrijpen. Zij moeten de kennis van de nieuwe wetenschappen en theorieën en van de nieuwste ontdekkingen harmonisch weten te verbinden met de christelijke moraal en het onderricht in de christelijke leer, opdat godsdienstzin en hoogstaand zedelijk leven bij hen gelijke tred houden met de kennis van de wetenschappen en met de steeds toenemende ontwikkeling van de techniek. Dan zullen zij in staat zijn, alles met een echt christelijke intuïtie te beoordelen en te verklaren.

De beoefenaars van de theologische wetenschappen op de seminaries en aan de universiteiten moeten streven naar samenwerking met de specialisten in de andere wetenschappen door bundeling van krachten en uitwisseling van ideeën. Het theologisch onderzoek mag bij het dieper doorvorsen van de geopenbaarde waarheid niet het contact verliezen met de eigen tijd, om voor de deskundigen uit de verschillende takken van wetenschap de weg te kunnen effenen tot een grondiger kennis van het geloof. Deze samenwerking zal grote voordelen opleveren voor de vorming van de priesters, die dan de leer van de Kerk over God, mens en wereld beter zullen kunnen uiteenzetten voor de mensen van onze tijd, zodat dit woord bij hen ook gemakkelijker ingang zal vinden. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Decreet, Over de priesteropleiding, Optatam Totius Ecclesiae (28 okt 1965) Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Verklaring, Over de Christelijke opvoeding, Gravissimum Educationis (28 okt 1965) Het is zelfs gewenst, dat een groot aantal lekken een passende opleiding ontvangt in de gewijde wetenschappen en dat velen onder hen zich ex professo aan deze studies wijden en er zich specialiseren. Met het oog op een goede uitoefening van hun taak moet aan de gelovigen, geestelijken zowel als leken, de rechtmatige vrijheid worden toegestaan van wetenschappelijk onderzoek en van wetenschappelijke denken en ook de vrijheid om nederig en vrijmoedig hun menig kenbaar te maken op het gebied, waarop zij deskundig zijn. Vgl. 2e Vaticaans Concilie, Constitutie, Over de Kerk, Lumen Gentium (21 nov 1964), 37

Document

Naam: GAUDIUM ET SPES
Over de Kerk in de wereld van deze tijd
Soort: 2e Vaticaans Concilie - Constitutie
Datum: 7 december 1965
Copyrights: © 1968, Ecclesia Docens 0724, uitg. Gooi & Sticht, Hilversum
Bewerkt: 6 oktober 2022

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test