H. Paus Johannes Paulus II - 26 januari 1984
Op de kennis volgt praktisch spontaan de trouw die, zoals ik tijdens de reeds aangehaalde toespraak heb gezegd, de eerste en belangrijkste verplichting is van de rechter ten opzichte van de wet. Vgl. H. Paus Johannes Paulus II, Toespraak, Tot de rechtbank van de heilige Rota bij aanvang van het werkjaar, Het zoeken van de waarheid als hoogste norm van rechtvaardigheid (4 feb 1980), 8
De trouw is allereerst de eerlijke, oprechte en onvoorwaardelijke aanvaarding van de wettelijk afgekondigde wet die op haar beurt moet worden gezien als de weloverwogen uitdrukking van de door Christus aan de Kerk toevertrouwde munus regendi (bestuursambt) en dus als de concrete manifestatie van Gods wil.
Een dergelijke aanbeveling van trouw aan het adres van personen zoals u die niet alleen uitstekende beoefenaren van het recht zijn maar ook dankzij opleiding en beroep een fundamentele gerichtheid bezitten zich aan de wet te houden, zou overbodig kunnen lijken. Maar er zijn twee overwegingen die mij ertoe brengen het toch te doen.
De eerste vloeit voort uit de bijzondere situatie van het ius condendum (het recht dat vastgesteld moet worden) dat we meer dan twintig jaar hebben gekend. In die tijd was er, vooral bij kenners en specialisten, spontaan, ik zou zeggen bijna noodzakelijk, een kritische houding ten opzichte van wetsvoorstellen of -schema's waarvan zij de gebreken en leemten naar voren brachten met de bedoeling ze te verbeteren. Een dergelijke houding kon indertijd zeer nuttig en opbouwend zijn voor een nauwkeurigere en volmaaktere formulering van d(; wet. Maar nu, na de afkondiging van de codex, mag niet worden vergeten dat de tijd van het ius condendum voorbij is en dat wet, ongeacht haar eventuele beperkingen en gebreken, een reeds door de wetgever na weloverwogen bezinning gemaakte keuze is die dus volledige instemming vereist. Nu is er geen tijd meer voor discussie maar voor toepassing.
De tweede overweging beantwoordt aan eenzelfde soort beweegreden. De kennis van de kortgeleden afgeschafte codex en de lange vertrouwdheid ermee zouden iemand kunnen brengen tot een soort vereenzelviging met de daarin vervatte normen die als beter en waardevoller en dus nostalgisch betreurd zouden worden, terwijl de nieuwe Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983) door een soort negatieve 'opvatting vooraf praktisch uitsluitend gelezen zou worden in het licht van de voorafgaande codex. En dat niet alleen in die delen die bijna letterlijk het ius vetus (oude recht) overnemen, maar ook in die onderdelen die objectief echte vernieuwingen zijn.
Deze houding, ook al is ze psychologisch verklaarbaar, kan zover gaan dat de vernieuwende kracht van de nieuwe Wetboek
Codex Iuris Canonici
Codex van het Canonieke recht
(25 januari 1983) die juist op het gebied van het procederen duidelijk zichtbaar moet worden, er bijna ongedaan door gemaakt wordt. Het gaat, zoals u goed zult begrijpen, om een subtiel arglistige houding, omdat ze een rechtvaardiging schijnt te vinden in de gezonde regel van de juridische interpretatie, vervat in Wetboek
Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917) en in het beginsel van wetgevende continuïteit die kenmerkend is voor het kerkelijk recht.