• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

Anderen werpen op dat de patristische overlevering ruimte zou laten voor een meer gedifferentieerde praktijk, die meer recht zou doen aan moeilijke situaties; de Katholieke Kerk zou in dit opzicht kunnen leren van het principe van “economie” van de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken.

Met beweert dat het huidige Leergezag alleen steunt op één ader van de patristische overlevering, maar niet op het hele erfgoed van de oude Kerk. Hoewel de Kerkvaders zich duidelijk aan het leerstellige principe van de onontbindbaarheid van het huwelijk hielden, hebben enkele van hen op het vlak van de pastorale zorg een zekere flexibiliteit toegelaten met betrekking tot individuele moeilijke situaties. Op grond hiervan zouden de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken later, naast het principe van de akribìa – de trouw aan de geopenbaarde waarheid –, dat van de oikonomìa – de welwillende genadigheid in individuele moeilijke situaties – hebben ontwikkeld. Zonder de leer van de onontbindbaarheid van het huwelijk te verwerpen, zouden zij in bepaalde gevallen een tweede en ook een derde huwelijk toestaan, dat overigens anders is dan het eerste sacramentele huwelijk en wordt gekenmerkt door een boetekarakter. Deze praktijk zou nooit uitdrukkelijk veroordeeld zijn door de Katholieke Kerk. De Bisschoppensynode van 1980 zou hebben gesuggereerd deze overlevering diepgaand te bestuderen, om de barmhartigheid van God meer te laten stralen.

De studie van pater Pelland toont de richting waarin het antwoord op deze kwesties gezocht moet worden. Voor de interpretatie van de afzonderlijke patristische teksten blijft de historicus natuurlijk competent. Vanwege de moeilijke tekstuele situatie zullen de controverses ook in de toekomst niet verstommen. Vanuit theologisch oogpunt moet gezegd worden:

a. Er bestaat een duidelijke consensus van de Kerkvaders wat betreft de onontbindbaarheid van het huwelijk. Aangezien deze voortvloeit uit de wil van de Heer, heeft de Kerk op dit punt geen enkele macht. Juist hierom was het christelijke huwelijk vanaf het begin anders dan het huwelijk van de Romeinse beschaving, ook al bestond er in de eerste eeuwen nog geen echt canoniek systeem. De Kerk van de tijd van de Kerkvaders sluit scheiding en nieuwe huwelijken duidelijk uit, en dit uit trouwe gehoorzaamheid aan het Nieuwe Testament.

b. In de Kerk van de tijd van de Kerkvaders werden de hertrouwde gescheiden gelovigen nooit officieel toegelaten tot de heilige Communie na een tijd van boetedoening. Aan de andere kant is het waar dat de Kerk concessies op dit gebied in bepaalde landen niet altijd streng heeft herroepen, ook al werden ze als niet verenigbaar met de leer en de discipline gekwalificeerd. Het lijkt ook waar dat enkele Kerkvaders, bijvoorbeeld Leo de Grote, “pastorale” oplossingen zochten voor zeldzame grensgevallen.

c. Later kwam het tot twee tegengestelde ontwikkelingen:

— In de keizerlijke Kerk na Constantijn zocht men ten gevolge van de steeds sterkere verstrengeling van staat en Kerk naar een grotere flexibiliteit en openheid voor het compromis in moeilijke huwelijkssituaties. Tot aan de Gregoriaanse hervorming werd een dergelijke tendens ook in de Gallische en Germaanse omgeving gezien. In de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken duurde deze ontwikkeling langer voort, tot in het tweede millennium, en leidde ze tot een steeds vrijere praktijk. Vandaag bestaat er in veel Oosterse Kerken een reeks van redenen voor scheiding, zelfs al een “theologie van de scheiding”, die op geen enkele wijze te rijmen valt met het woord van Jezus over de onontbindbaarheid van het huwelijk. In de oecumenische dialoog moet dit probleem absoluut aangepakt worden.

— In het Westen werd het oorspronkelijke concept van de Kerkvaders dankzij de Gregoriaanse hervorming hersteld. Deze ontwikkeling kreeg in zekere zin goedkeuring in het Concilie van Trente en werd opnieuw naar voren gebracht als leer van de Kerk in het Tweede Vaticaans Concilie.

De praktijk van de van Rome afgescheiden Oosterse Kerken, die het gevolg is van een complex historisch proces, van een steeds vrijere – en zich steeds verder van het woord van de Heer verwijderende – interpretatie van enkele duistere patristische passages, alsmede van een niet te verwaarlozen invloed van de burgerlijke wetgeving, kan om leerstellige redenen niet worden aangenomen door de Katholieke Kerk. Wat dit betreft is het niet juist te zeggen dat de Katholieke Kerk de Oosterse praktijk gewoon zou hebben getolereerd. Zeker, Trente heeft geen enkele formele veroordeling uitgesproken. De middeleeuwse kerkrechtskundigen spraken er desalniettemin voortdurend over als over een ongeoorloofde praktijk. Bovendien zijn er getuigenissen volgens welke groepen orthodoxe gelovigen die katholiek werden een geloofsbelijdenis met een uitdrukkelijke vermelding van de onmogelijkheid van een tweede huwelijk moesten ondertekenen.

Document

Naam: DE PASTORAAL VAN HET HUWELIJK MOET ZICH BASEREN OP DE WAARHEID
Uit een weinig bekend geschrift van kardinaal Joseph Ratzinger, gepubliceerd in 1998
Soort: Congregatie voor de Geloofsleer
Auteur: Joseph Kardinaal Ratzinger
Datum: 30 november 2011
Copyrights: © 2011, L'Osservatore Romano / Congregatie voor de Geloofsleer "Documenti, Commenti e Studi, 17" (1998)
Vert. vanuit het Italiaans: redactie; alineaverdeling en -nummering: redactie
Bewerkt: 7 november 2019

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test