15 oktober 1989
Als men het geheel van deze waarheden in ogenschouw neemt, doen we de verbazingwekkende ontdekking dat in de werkelijkheid van het christelijk geloof alle verlangens die in het gebed van de andere godsdiensten schuilgaan, tot hun vervulling komen, zonder dat de persoonlijkheid van het ik en zijn karakter als schepsel daarom te niet hoeft te worden gedaan of zou moeten verdwijnen in de oceaan van het Absolute. "God is liefde" (1 Joh. 4,8); deze diep christelijke uitspraak kan de volledige eenwording verenigen met het anders-zijn van liefhebbende en beminde; ze kan die eenwording verenigen met de eeuwige uitwisseling en de eeuwige dialoog. Die eeuwige uitwisseling is God zelf en wij kunnen naar waarheid deelgenoten worden van Christus als 'aangenomen zonen', en samen met de Zoon roepen in de Heilige Geest: 'Abba, Vader'. In die zin spreken de Kerkvaders terecht over de vergoddelijking van de mens, die ingelijfd bij Christus Gods Zoon van nature, door zijn genade deel kan hebben aan de goddelijke natuur als 'zonen in de Zoon'. Doordat hij de Heilige Geest ontvangt, verheerlijkt de Christen de Vader en neemt hij in werkelijkheid deel aan het goddelijke trinitaire leven.