• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

§ 1 Katholieke bedienaren dienen de Sacramenten geoorloofd toe alleen aan katholieke christengelovigen, die ze eveneens alleen van katholieke bedienaren geoorloofd ontvangen, behoudens de voorschriften van §§ 2, 3 en 4 van deze canon, en van can. 861, § 2.

§ 2 Telkens als de nood het vereist of echt geestelijk nut het wenselijk maakt, en mits gevaar voor dwaling of indifferentisme vermeden wordt, is het de christengelovigen voor wie het fysiek of moreel onmogelijk is zich te wenden tot een katholieke bedienaar, geoorloofd de Sacramenten van Boete, Eucharistie en Ziekenzalving te ontvangen van niet-katholieke bedienaren, in wier Kerk voornoemde Sacramenten geldig bestaan.

§ 3 Katholieke bedienaren dienen geoorloofd de Sacramenten van Boete, Eucharistie en Ziekenzalving toe aan leden van Oosterse Kerken die niet in volledige gemeenschap leven met de Katholieke Kerk, als zij er uit eigen beweging om vragen en de juiste gesteltenis bezitten; dit geldt eveneens voor leden van andere Kerken die, volgens het oordeel van de Apostolische Stoel, wat de Sacramenten betreft in dezelfde situatie verkeren als voornoemde Oosterse Kerken.

§ 4 Als stervensgevaar aanwezig is of als volgens het oordeel van de diocesane Bisschop of van de bisschoppenconferentie een andere ernstige nood ertoe dwingt, dienen katholieke bedienaren dezelfde Sacramenten geoorloofd toe ook aan de overige christengelovigen niet in volledige gemeenschap levend met de katholieke Kerk, die zich niet tot een bedienaar van hun gemeenschap kunnen wenden en er uit eigen beweging om vragen, mits zij wat dezelfde Sacramenten betreft blijk geven van het katholieke geloof en zij de juiste gesteltenis bezitten.

§ 5 Voor de gevallen waarover in §§ 2, 3 en 4, mag de diocesane Bisschop of de bisschoppenconferentie geen algemene normen uitvaardigen, tenzij na overleg met ten minste de plaatselijke bevoegde overheid van de betrokken Kerk of niet-katholieke gemeenschap.

§ 1 Naast de Paus bezitten de Kardinalen van rechtswege de bevoegdheid om overal ter wereld biecht te horen van christengelovigen; eveneens de Bisschoppen, die hiervan ook overal geoorloofd gebruik maken, tenzij de diocesane Bisschop dit in een bijzonder geval verboden heeft.

§ 2 Zij die de bevoegdheid bezitten om habitueel biecht te horen, hetzij krachtens hun ambt hetzij krachtens verlening door de Ordinaris van de plaats van incardinatie of van de plaats waar zij domicilie hebben, kunnen deze bevoegdheid overal uitoefenen, tenzij de plaatselijke Ordinaris dit in een bijzonder geval verboden heeft, met inachtneming van de voorschriften van can. 974, §§2 en 3.

§ 3 Van rechtswege genieten zij die krachtens hun ambt of door verlening door de bevoegde Overste volgens de canones 968, § 2 en 969, § 2 over de bevoegdheid beschikken om biecht te horen, diezelfde bevoegdheid overal ten aanzien van de leden en van anderen die dag en nacht in een huis van het instituut of de sociëteit verblijven; zij maken er ook geoorloofd gebruik van, tenzij een hogere Overste dit in een bijzonder geval ten aanzien van zijn eigen onderdanen geweigerd heeft.

§ 1 Krachtens hun ambt bezitten de bevoegdheid om de biecht te horen, ieder voor zijn gebied, de plaatselijke Ordinaris, de kanunnik-penitencier, en eveneens de pastoor en de anderen die de plaats van de pastoor innemen.
§ 2 Krachtens hun ambt bezitten de bevoegdheid om biecht te horen van hun onderdanen en van anderen die dag en nacht in hun huis verblijven, de Oversten van een religieus instituut of van een sociëteit van apostolisch leven, als zij clericaal en van pauselijk recht zijn, die volgens hun constituties uitvoerende bestuursmacht genieten, met inachtneming van het voorschrift van can. 630, § 4.

§ 1 Alleen de plaatselijke Ordinaris is bevoegd om aan iedere priester bevoegdheid te verlenen tot biechthoren van iedere gelovige; priesters echter die lid zijn van religieuze instituten, mogen van deze bevoegdheid geen gebruik maken zonder het ten minste verondersteld verlof van hun Overste.
§ 2 De Overste van een religieus instituut of van een sociëteit van apostolisch leven, over wie in can. 968, § 2, is bevoegd om aan iedere priester de bevoegdheid te verlenen om biecht te horen van zijn onderdanen en van anderen die dag en nacht in zijn huis verblijven.

De bevoegdheid om biecht te horen kan door de bevoegde overheid vermeld in can. 969, verleend worden voor onbepaalde of voor bepaalde tijd.

Document

Naam: CODEX IURIS CANONICI
Codex van het Canonieke recht
Soort: Wetboek
Auteur: Aucturitate Ioannis Pauli PP. II
Datum: 25 januari 1983
Copyrights: © www.kerkrecht.nl
Aan de hier gepubliceerde versie kunnen geen rechten ontleend worden
Bewerkt: 20 mei 2022

Referenties naar dit document

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
Trefwoordenlijst voor dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test