Paus Benedictus XVI - 9 juli 2006
Wanneer een kind geboren wordt, begint hij, door de verbinding met zijn ouders, deel te worden van een familietraditie, die nog oudere wortels heeft. Met het geschenk van het leven ontvangt het een hele erfenis aan ervaring. Aangaande deze erfenis hebben de ouders een onvervangbaar recht en een onvervangbare plicht het aan de kinderen door te geven: hun bij hun identiteitsvorming op te voeden, hun in te wijden in het sociale leven, in een verantwoordingsvolle omgang met hun zedelijke vrijheden en in hun eigenschap om lief te hebben – door de ervaring bemind te worden – en ze vooral in te leiden in de ontmoeting met God. De kinderen groeien en ontwikkelen tot mens in die mate, waarin ze vertrouwvol deze erfenis en deze opvoeding aannemen, doordat ze stap voor stap erin kunnen groeien. Op deze manier zijn zij in staat, een persoonlijke synthese te ontwikkelen uit hetgeen wat zij ontvangen hebben en het nieuwe. Een synthese waartoe iedereen en iedere generatie opgeroepen is.
In de aanvang van ieder mens en daarmee in ieder menselijk ouderschap is God de Schepper aanwezig. Daarom moeten de ouders het kind, dat uit hen geboren werd, niet alleen als hun eigen kind beschouwen, maar het als kind van God aannemen, die het om Zijn eigen wil liefheeft en het tot het kindschap Gods geroepen heeft. Meer nog: Iedere generatie, ieder ouderschap, iedere familie heeft haar oorsprong in God, die de Vader, de Zoon en de Heilige Geest is.