• Database vol kerkelijke documenten
  • Geloofsverdieping
  • Volledig in het Nederlands
  • Beheerd door vrijwilligers

Zoeken in kerkelijke documenten en berichten

x

En inderdaad, al de redenen, die Wij boven hebben aangestipt om de verhevenheid van het Katholieke priesterschap aan te tonen, staan Ons nu wederom voor ogen, om de bedienaars der heilige geheimen krachtig aan te sporen tot hun plicht van volkomen heiligheid. Immers, gelijk de Engelachtige Leraar verklaart, “tot behoorlijke uitoefening der wijdingsmacht is niet voldoende een willekeurige, maar wordt vereist een uitmuntende graad van zedelijke goedheid, zodat zij die de wijding Ontvangen, door verdienste van heiligheid evenzeer boven het volk staan, als zij door den wijdingsgraad erboven zijn gesteld” H. Thomas van Aquino, Summa Theologiae. Suppl. q. 35, a. 1, ad. 3.

Inderdaad, het Eucharistisch offer, waardoor het schuldeloos slachtoffer wordt opgedragen, dat de zonden der mensen uitdelgt, vordert op een bijzondere wijze, dat de priester door heilig leven en zedelijke reinheid zich naar vermogen waardiger maakt voor God, aan Wien hij dagelijks die aanbiddelijke en vererenswaardige offerande brengt, n.l. het Woord Gods zelf, uit liefde tot ons Mens geworden. „Geeft u rekenschap van hetgeen gij doet, volgt datgene na, waar gij mee omgaat” Pontificale Romanum de ordinatione presbyt.; zo vermaant de Kerk met de woorden van de wijdende Bisschop van de diaken, die op het punt staat de priesterlijke waardigheid te ontvangen.

Verder: de drager der H. Wijding is de uitdeler van de goddelijke genaden, waarvan de Sacramenten als het ware de bronnen zijn. Maar voorzeker is het ten hoogste ongepast, als zulk een uitdeler zelf van die kostbare genade beroofd is of ze maar weinig schat en traag is in 't bewaren ervan.

Daar komt bij, dat hij de waarheid des geloof s moet onderwijzen. Maar nooit wordt het onderricht in den godsdienst waardig en met goed gevolg gegeven, als niet de deugd de leidsvrouwe en leermeesteres is bij dit onderricht, volgens het bekende gezegde woorden wekken, voorbeelden trekken.

Zo ook: de evangelische wet moet door hem worden verkondigd. Maar als hij zelf verlangt, dat zijn hoorders die wet aanvaarden, dan bestaat er, met de hulp van de goddelijke genade, daarvoor geen geschikter en geen krachtiger middel dan dat het Christenvolk de verkondiger der heilige waarheid de voorschriften die hij verkondigt, door zijn eigen voorbeeldig leven ijverig ziet onderhouden. De reden daarvoor wordt door de H. Gregorius de Grote als volgt duidelijk uiteengezet: “Dat woord dringt gemakkelijker in het hart der hoorders door, dat het leven van den spreker tot aanbeveling heeft. Want dan helpt hij door zijn voorbeeld om te doen, wat hij door zijn woorden beveelt.” H. Paus Gregorius de Grote, Epistolae. Lib. 1, ep. 25. Zo heeft, volgens het verhaal der H. Schrift, de Goddelijke Verlosser gehandeld, die “begon te doen en te leren” (Hand. 1, 1) en de scharen juichten Hem blijde toe niet alleen “omdat nooit een mens gesproken had zoals deze mens” Vgl. Joh. 7, 46 , maar vooral omdat “Hij alles wel gedaan had” Vgl. Mc. 7, 37 . Daarentegen zij “die zeggen en niet doen” kunnen vergeleken worden met de Schriftgeleerden en de Phariseeën, over wie Christus, zonder het gezag van Gods Woord dat zij wettig verkondigden aan te tasten, Zijn afkeuring uitsprak in de vermaning tot het luisterende volk: “Op de stoel van Mozes zitten de Schriftgeleerden en Phariseeën. Onderhoudt en doet dus alles wat zij u zeggen, maar handelt niet naar hun werken.” (Mt. 23, 2.3) Al wie de waarheid die hij onderwijst niet door het voorbeeld van zijn eigen leven aanbeveelt, breekt zeker wat hij met de ene hand opbouwt, met de andere op treurige wijze af. Daarentegen ondersteunt God met Zijn overvloedige genade de arbeid van de Evangeliepredikers die op de eerste plaats met heel hun hart zich ijverig toeleggen op eigen heiliging. Dan immers verschijnen en openen zich in rijke overvloed de bloemen, die door hun zweet zijn besproeid ; dan zwellen en rijpen de vruchten ervan, en zoo zullen zij ten tijde van den oogst “komen met gejubel, beladen met hun garven”. (Ps. 126, 6)

Men moet er echter op letten, dat de bedienaar der heilige geheimen in een zeer ernstig gevaar van dwaling zou vallen, als hij door valse ijver meegesleept met verwaarlozing van zijn eigen heiliging zich met al te grote vurigheid geheel aan de uitwendige, zij het ook prijzenswaardige werkzaamheden van zijn ambt zou overgeven. Immers, door zulk een handelwijze zou hij zijn eigen eeuwige zaligheid in ernstig gevaar brengen, gelijk de Apostel der heidenen voor zich zelve vreesde als hij zei de: “Ik kastijd mijn lichaam en breng het in dienstbaarheid, om niet na anderen gepredikt te hebben, zelf verloren te gaan.” (1 Kor. 9, 27) Maar ook al zou hij de goddelijke genade niet verliezen, toch zou hij ongetwijfeld verliezen dien invloed der goede raadgevingen van de H. Geest, die een geheel wonderbare kracht en succes aan de uitwendige werken van het apostolaat verleent.
Overigens, als aan alle Christenen het gebod gegeven is: “Weest volmaakt, zoals ook uw Hemelse Vader volmaakt is” (Mt. 5, 48), dan moeten de bedienaren van de heilige geheimen met nog meer recht die woorden vooral tot zich gericht achten, omdat zij door een bijzondere goddelijke ingeving tot nauwere navolging van Christus Jezus geroepen zijn. Derhalve prent de Kerk aan alle clerici ernstig den plicht in dien zij in haar wetten heeft opgenomen : „De clerici moeten zowel innerlijk als uiterlijk een heiliger leven leiden dan de leken, en hun door deugd en rechtschapen handelswijze tot een uitstekend voorbeeld zijn.” Wetboek, Codex Iuris Canonici (1917) (27 mei 1917), 124 En omdat de priester een “gezantschap waarneemt voor Christus” Vgl. 2 Kor. 5, 20 , moet hij zo leven, dat hij de woorden van de Apostel tot de zijne mag maken: “Weest mijn navolgers, gelijk ik het ben van Christus” (1 Kor. 4, 16)(1 Kor. 9, 1); hij moet leven als een andere Christus, die door de glans van Zijn deugd een licht was en blijft voor de wereld.

Document

Naam: AD CATHOLICI SACERDOTII FASTIGIUM
Over het Katholieke priesterschap
Soort: Paus Pius XI - Encycliek
Auteur: Paus Pius XI
Datum: 20 december 1935
Copyrights: © 1936, Firma J.M.W. Waanders, Zwolle
Vert.: F.A.J. Van Nimwegen, C.ss.R.
Bewerkt: 4 november 2020

Opties

Internetadres
Print deze pagina
Dit document bestellen
Startpagina van dit document
Inhoudsopgave van dit document
Referenties naar dit document
Referenties vanuit dit document
RK Documenten wordt mogelijk gemaakt door donaties van gebruikers.
© 1999 - 2024, Stg. InterKerk, Schiedam, test