15 augustus 1997
Allereerst leeft het gebed vanuit de schepping zelf. De eerste negen hoofdstukken van het boek Genesis beschrijven die relatie tot God als het offeren door Abel van de eerstgeborenen van de kudde, Vgl. Gen. 4, 4 als het aanroepen door Henoch van de naam van God, Vgl. Gen. 4, 26 als "schreden naar God". Vgl. Gen. 5, 24 Het offer van Noach is "aangenaam" voor God, die hem zegent en via hem heel de schepping, Vgl. Gen. 8, 20-9, 17 omdat zijn hart rechtvaardig en oprecht is: ook hij "richt zijn schreden naar God" (Gen. 6, 9). Als zodanig wordt het gebed door een menigte van rechtvaardigen in alle godsdiensten beleefd. Krachtens het onvergankelijke verbond dat God met de levende wezens is aangegaan, Vgl. Gen. 9, 8-16 roept Hij de mensen steeds op om tot Hem te bidden. Maar het gebed wordt in het Oude Testament vooral geopenbaard vanaf onze vader Abraham.